Geen aftrek voorbelasting uit periode voor ondernemerschap
Een ondernemer, die met btw belaste prestaties verricht, heeft recht op aftrek van de btw die hem in rekening is gebracht wanneer er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de door de ondernemer verrichte belaste prestaties en de gebruikte goederen en diensten. Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of een ondernemer ook recht op aftrek van voorbelasting heeft als die belasting betrekking heeft op een periode waarin geen sprake was van ondernemerschap. De procedure had betrekking op een houdstermaatschappij die haar belang in een bedrijf verkocht tegen een vaste vergoeding en een winstafhankelijke vergoeding. Na de verkoop van het belang ging de houdstermaatschappij managementactiviteiten tegen vergoeding verrichten voor haar vroegere dochtermaatschappij.
Er ontstond een geschil met de koper van de aandelen over het winstafhankelijke deel van de koopsom. Dat geschil leidde tot een arbitrageprocedure. De houdstermaatschappij bracht de btw die over advieskosten in het kader van deze arbitrageprocedure werd berekend in aftrek. De inspecteur legde daarvoor een naheffingsaanslag op.
Volgens de Hoge Raad is de regelgeving op dit punt niet duidelijk. Enerzijds moest de aftrek van voorbelasting worden geweigerd omdat de gemaakte kosten betrekking hadden op handelingen in een periode waarin geen belastingplicht bestond. Anderzijds maakte de vordering die de houdstermaatschappij had op de koper van de aandelen deel uit van het vermogen van een belastingplichtige en maakte de houdstermaatschappij als belastingplichtige kosten met de bedoeling om het vermogen veilig te stellen. Dergelijke kosten vormden volgens de Hoge Raad algemene kosten van de houdstermaatschappij. Gelet op het gewenste fundamentele beginsel van fiscale neutraliteit ligt het verlenen van een recht op aftrek dan voor de hand. De Hoge Raad heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciƫle beslissing gevraagd. Het Hof van Justitie EG heeft op 8 februari 2007 arrest gewezen. Volgens het Hof van Justitie EG is er geen recht op aftrek van btw wegens het ontbreken van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gemaakte kosten en de latere ondernemersactiviteit.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie EG de aftrek van voorbelasting geweigerd.
Een ondernemer, die met btw belaste prestaties verricht, heeft recht op aftrek van de btw die hem in rekening is gebracht wanneer er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de door de ondernemer verrichte belaste prestaties en de gebruikte goederen en diensten. Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of een ondernemer ook recht op aftrek van voorbelasting heeft als die belasting betrekking heeft op een periode waarin geen sprake was van ondernemerschap. De procedure had betrekking op een houdstermaatschappij die haar belang in een bedrijf verkocht tegen een vaste vergoeding en een winstafhankelijke vergoeding. Na de verkoop van het belang ging de houdstermaatschappij managementactiviteiten tegen vergoeding verrichten voor haar vroegere dochtermaatschappij.
Er ontstond een geschil met de koper van de aandelen over het winstafhankelijke deel van de koopsom. Dat geschil leidde tot een arbitrageprocedure. De houdstermaatschappij bracht de btw die over advieskosten in het kader van deze arbitrageprocedure werd berekend in aftrek. De inspecteur legde daarvoor een naheffingsaanslag op.
Volgens de Hoge Raad is de regelgeving op dit punt niet duidelijk. Enerzijds moest de aftrek van voorbelasting worden geweigerd omdat de gemaakte kosten betrekking hadden op handelingen in een periode waarin geen belastingplicht bestond. Anderzijds maakte de vordering die de houdstermaatschappij had op de koper van de aandelen deel uit van het vermogen van een belastingplichtige en maakte de houdstermaatschappij als belastingplichtige kosten met de bedoeling om het vermogen veilig te stellen. Dergelijke kosten vormden volgens de Hoge Raad algemene kosten van de houdstermaatschappij. Gelet op het gewenste fundamentele beginsel van fiscale neutraliteit ligt het verlenen van een recht op aftrek dan voor de hand. De Hoge Raad heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciƫle beslissing gevraagd. Het Hof van Justitie EG heeft op 8 februari 2007 arrest gewezen. Volgens het Hof van Justitie EG is er geen recht op aftrek van btw wegens het ontbreken van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gemaakte kosten en de latere ondernemersactiviteit.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie EG de aftrek van voorbelasting geweigerd.