Geen aftrek voor schuldig gebleven lijfrentepremie; betaling niet bewezen
Op grond van een in 1989 gesloten overeenkomst betaalde een DGA tot en met 1995 jaarlijks een lijfrentepremie aan zijn BV. De inspecteur weigerde de in 1994 betaalde premie in aftrek toe te staan omdat deze door de verwerking in de rekening-courantverhouding met de BV niet was betaald maar schuldig was gebleven. Volgens een arrest van de Hoge Raad konden schuldig gebleven premies niet als betaald worden aangemerkt. De DGA nam op 13 december 1994 een bedrag in contanten op van een bankrekening van de BV en stortte een deel van dit bedrag vervolgens op een andere bankrekening van de BV met als omschrijving 'storting lijfrente'. Zijn rekening-courantschuld aan de BV was in 1994 per saldo gedaald. Over de rekening-courant betaalde de DGA geen rente. De Hoge Raad overwoog in het eerder aangehaalde arrest uit 1990 dat op grond van de wetshistorie een schuldig gebleven premie niet voor aftrek in aanmerking komt, ook niet als sprake is van een rentedragend schuldig gebleven premie. Volgens de Hoge Raad kon de wetgever niet hebben bedoeld dat een rentedragend schuldig gebleven premie nooit voor aftrek in aanmerking zou komen. Een redelijke toepassing van de wet had dan tot gevolg dat een aanvankelijk rentedragend schuldig gebleven premie alsnog voor aftrek in aanmerking kon komen in het jaar van betaling c.q. verrekening. Hof Den Bosch was van oordeel, dat de storting op een bankrekening van de BV geen betaling vormde omdat de DGA in rechtstreeks verband met deze storting een bedrag had opgenomen van een bankrekening van de BV. In wezen was de DGA het premiebedrag in rekening-courant schuldig gebleven.Na de opname had geen storting in de rekening-courant van tenminste het opgenomen bedrag plaatsgevonden. Daardoor was de premie civielrechtelijk niet betaald. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
Op grond van een in 1989 gesloten overeenkomst betaalde een DGA tot en met 1995 jaarlijks een lijfrentepremie aan zijn BV. De inspecteur weigerde de in 1994 betaalde premie in aftrek toe te staan omdat deze door de verwerking in de rekening-courantverhouding met de BV niet was betaald maar schuldig was gebleven. Volgens een arrest van de Hoge Raad konden schuldig gebleven premies niet als betaald worden aangemerkt. De DGA nam op 13 december 1994 een bedrag in contanten op van een bankrekening van de BV en stortte een deel van dit bedrag vervolgens op een andere bankrekening van de BV met als omschrijving 'storting lijfrente'. Zijn rekening-courantschuld aan de BV was in 1994 per saldo gedaald. Over de rekening-courant betaalde de DGA geen rente. De Hoge Raad overwoog in het eerder aangehaalde arrest uit 1990 dat op grond van de wetshistorie een schuldig gebleven premie niet voor aftrek in aanmerking komt, ook niet als sprake is van een rentedragend schuldig gebleven premie. Volgens de Hoge Raad kon de wetgever niet hebben bedoeld dat een rentedragend schuldig gebleven premie nooit voor aftrek in aanmerking zou komen. Een redelijke toepassing van de wet had dan tot gevolg dat een aanvankelijk rentedragend schuldig gebleven premie alsnog voor aftrek in aanmerking kon komen in het jaar van betaling c.q. verrekening. Hof Den Bosch was van oordeel, dat de storting op een bankrekening van de BV geen betaling vormde omdat de DGA in rechtstreeks verband met deze storting een bedrag had opgenomen van een bankrekening van de BV. In wezen was de DGA het premiebedrag in rekening-courant schuldig gebleven.Na de opname had geen storting in de rekening-courant van tenminste het opgenomen bedrag plaatsgevonden. Daardoor was de premie civielrechtelijk niet betaald. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.