
Bij het overlijden van een inwoner van Nederland heft Nederland erfbelasting over de waarde van het vermogen van de erflater. Bij het overlijden van iemand die geen inwoner is van Nederland hief Nederland tot 1 januari 2010 het recht van overgang over de waarde van in Nederland gelegen bezittingen.
Een procedure voor de Hoge Raad had betrekking op de gevolgen van het overlijden van een inwoner van Duitsland die eigenaar was van een vakantiewoning in Nederland. Zijn enige erfgenaam was de weduwe. De nalatenschap bestond volgens het Duitse privaatrecht uit het gehele vermogen van de erflater, zonder een schuld of verrekenverplichting. De woning had ten tijde van het overlijden van de man een waarde in het economische verkeer van € 149.000. Het echtpaar was niet in gemeenschap van goederen getrouwd, maar in een soort gemeenschap van vruchten en inkomsten. De vermogensaangroei gedurende het huwelijk werd bij overlijden van een van de echtgenoten gedeeld. De echtgenote claimde, overeenkomstig het Duitse belastingrecht, aftrek van de helft van de waarde van de woning voor de heffing van het recht van overgang. De inspecteur belastte de volle waarde van de woning. Hof Den Bosch was van oordeel dat de echtgenote voor de heffing van het recht van overgang recht op aftrek had van de helft van de waarde van de woning.
De Hoge Raad is van oordeel dat de regels van buitenlands belastingrecht in dit verband geen rol spelen. Uitgangspunt was dat de echtgenote de eigendom van de woning verkreeg krachtens erfrecht. Tot de nalatenschap behoorde geen schuld wegens een verplichting tot verrekening uit hoofde van de gemeenschap van vruchten en inkomsten die voor aftrek in aanmerking kwam. De volle waarde van de woning was onderworpen aan de heffing van het recht van overgang. Dat vormt geen inbreuk op het vrije verkeer van kapitaal. De lidstaten zijn niet verplicht om hun belastingstelsel aan te passen aan het belastingstelsel van een andere lidstaat om dubbele belastingheffing te voorkomen.