
De dochtermaatschappij in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kende een optieregeling voor personeel. In het jaar 2002 werden aan zeven personeelsleden opties op preferente aandelen toegekend. De moedermaatschappij in de fiscale eenheid was van mening dat de toekenning van optierechten een aftrekbare loonbetaling vormde tot het bedrag dat als loon in aanmerking genomen zou worden, indien de personeelsleden niet zouden hebben gekozen om de verwachtingswaarde niet als loon in aanmerking te nemen. De inspecteur accepteerde de aftrekpost niet.
Hof Amsterdam was van oordeel dat materieel bezien de optierechten geen verwachtingswaarde hadden. Volgens het hof was de waarde van de optierechten in het economische verkeer nihil. Vanwege de verwevenheid met feitelijke waarderingen kan dat oordeel van het hof in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Wanneer een werkgever bij de toekenning van optierechten aan werknemers geen voordeel verschaft, vormt dat voor deze werknemers uiteraard geen loon. In dat geval kan bij het bepalen van de winst van de werkgever ter zake van de toekenning van optierechten geen bedrag in mindering op de winst komen. Dat betekent dat het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.