Geen aftrek premie niet reële arbeidsongeschiktheidsverzekering met eigen BV
Een DGA bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 in totaal ƒ 80.710 in aftrek als premies voor particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Een bedrag van ƒ 74.005 betrof een vooruitbetaling aan de BV voor een uitgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het restant ad ƒ 6.705 had betrekking op een bij een verzekeringsmaatschappij afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. De inspecteur weigerde de aan de BV vooruitbetaalde premies in aftrek toe te laten omdat hij van mening was dat er geen reële arbeidsongeschiktheidsverzekering met de BV was afgesloten. Hof Den Haag sloot zich bij de opvatting van de inspecteur aan. Voor een reële verzekering was een keuringsrapport of een verklaring van een medische instantie dat een nadere medische keuring niet nodig was, vereist. Een onafhankelijke partij zou het risico niet hebben geaccepteerd zonder zo’n verklaring. De DGA kon het bestaan van een keuringsrapport of verklaring niet bewijzen. Verder bevatte de overeenkomst vele onzekerheden en onduidelijkheden en een aantal ongebruikelijke bepalingen, zoals glijclausules. De premie was volgens de overeenkomst alleen verschuldigd wanneer de aftrekbaarheid daarvan zeker was. Dergelijke clausules zijn volgens het Hof in strijd met het doel van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. , te weten het bieden van een deugdelijke dekking voor de financiële risico's welke voortvloeien uit het arbeidsongeschikt raken. Door het ontbreken van een gezondheidsverklaring bestond er onzekerheid over de hoogte van de premie en de hoogte van een toekomstige uitkering. Ook de uitstelduur van vijf jaar vond het Hof ongebruikelijk, omdat bij overlijden vóór de ingangsdatum de betaalde premie niet zou worden terugbetaald.
Een DGA bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 in totaal ƒ 80.710 in aftrek als premies voor particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Een bedrag van ƒ 74.005 betrof een vooruitbetaling aan de BV voor een uitgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het restant ad ƒ 6.705 had betrekking op een bij een verzekeringsmaatschappij afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering. De inspecteur weigerde de aan de BV vooruitbetaalde premies in aftrek toe te laten omdat hij van mening was dat er geen reële arbeidsongeschiktheidsverzekering met de BV was afgesloten. Hof Den Haag sloot zich bij de opvatting van de inspecteur aan. Voor een reële verzekering was een keuringsrapport of een verklaring van een medische instantie dat een nadere medische keuring niet nodig was, vereist. Een onafhankelijke partij zou het risico niet hebben geaccepteerd zonder zo’n verklaring. De DGA kon het bestaan van een keuringsrapport of verklaring niet bewijzen. Verder bevatte de overeenkomst vele onzekerheden en onduidelijkheden en een aantal ongebruikelijke bepalingen, zoals glijclausules. De premie was volgens de overeenkomst alleen verschuldigd wanneer de aftrekbaarheid daarvan zeker was. Dergelijke clausules zijn volgens het Hof in strijd met het doel van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. , te weten het bieden van een deugdelijke dekking voor de financiële risico's welke voortvloeien uit het arbeidsongeschikt raken. Door het ontbreken van een gezondheidsverklaring bestond er onzekerheid over de hoogte van de premie en de hoogte van een toekomstige uitkering. Ook de uitstelduur van vijf jaar vond het Hof ongebruikelijk, omdat bij overlijden vóór de ingangsdatum de betaalde premie niet zou worden terugbetaald.