Geen aftrek afkoopsom alimentatie die voor de scheiding werd betaald
Vooruitlopend op hun echtscheiding in het jaar 2000 woonden beide echtgenoten vanaf 1 juli 1999 gescheiden. De man betaalde in het jaar 1999 een afkoopsom voor zijn alimentatieverplichtingen. In totaal betaalde hij ongeveer ƒ 1.300.000. De inspecteur accepteerde slechts een bedrag van ƒ 78.000 als aftrekpost in 1999. Dat bedrag had betrekking op het tweede halfjaar, waarbij de inspecteur ƒ 13.000 per maand als alimentatie aanmerkte. Op grond van de wettekst was een afkoopsom voor alimentatie niet aftrekbaar wanneer deze werd betaald voordat het huwelijk was ontbonden. De met dat doel betaalde bedragen waren in 1999 dus niet als persoonlijke verplichting aftrekbaar. De echtscheidingsprocedure was op 14 april 1999 in gang gezet. Volgens het Hof leefde het echtpaar vanaf die datum duurzaam gescheiden en konden de betalingen vanaf die datum voor zover ze betrekking hadden op de bijdragen in het levensonderhoud in aftrek worden gebracht. Eerdere betalingen waren niet aftrekbaar. De rechtbank in Den Haag stelde de te betalen alimentatie bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 1 januari 2000 op ƒ 17.500 per maand. Voor een half jaar kwam dat neer op ƒ 105.000. Gelet op dat bedrag accepteerde het Hof de betalingen die tussen 1 juli en 31 december 1999 aan de echtgenote waren gedaan met een totaal van ƒ 109.702 als aftrekpost.
Vooruitlopend op hun echtscheiding in het jaar 2000 woonden beide echtgenoten vanaf 1 juli 1999 gescheiden. De man betaalde in het jaar 1999 een afkoopsom voor zijn alimentatieverplichtingen. In totaal betaalde hij ongeveer ƒ 1.300.000. De inspecteur accepteerde slechts een bedrag van ƒ 78.000 als aftrekpost in 1999. Dat bedrag had betrekking op het tweede halfjaar, waarbij de inspecteur ƒ 13.000 per maand als alimentatie aanmerkte. Op grond van de wettekst was een afkoopsom voor alimentatie niet aftrekbaar wanneer deze werd betaald voordat het huwelijk was ontbonden. De met dat doel betaalde bedragen waren in 1999 dus niet als persoonlijke verplichting aftrekbaar. De echtscheidingsprocedure was op 14 april 1999 in gang gezet. Volgens het Hof leefde het echtpaar vanaf die datum duurzaam gescheiden en konden de betalingen vanaf die datum voor zover ze betrekking hadden op de bijdragen in het levensonderhoud in aftrek worden gebracht. Eerdere betalingen waren niet aftrekbaar. De rechtbank in Den Haag stelde de te betalen alimentatie bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 1 januari 2000 op ƒ 17.500 per maand. Voor een half jaar kwam dat neer op ƒ 105.000. Gelet op dat bedrag accepteerde het Hof de betalingen die tussen 1 juli en 31 december 1999 aan de echtgenote waren gedaan met een totaal van ƒ 109.702 als aftrekpost.