Geen aftrek advocaatkosten ontslagvergoeding
Een werknemer werd op 30 november 2000 door zijn werkgever ontslagen. De werknemer vocht het ontslag aan via een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2001, onder toekenning van een ontslagvergoeding aan de werknemer. Volgens de beschikking van de kantonrechter moesten beide partijen hun eigen proceskosten dragen. Er volgde een tweede procedure om uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en een bonus te bewerkstelligen. In totaal maakte de werknemer in 2001 € 13.185 aan proceskosten. In zijn aangifte inkomstenbelasting bracht hij deze kosten in aftrek op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. De inspecteur weigerde de gevraagde aftrek van kosten, omdat deze aftrek met ingang van 2001 wettelijk niet meer mogelijk is. Wel is een onbelaste vergoeding van door een werknemer te maken of gemaakte kosten nog steeds mogelijk. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2005 beslist dat het ontbreken van de mogelijkheid tot aftrek van beroepskosten naast het bestaan van onbelaste vergoedingen voor bepaalde arbeidskosten geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling inhoudt van gelijke gevallen. Ook de verwijzing naar de beroepskostenaftrek van wethouders had niet het gewenste resultaat. Een eventuele fiscale begunstiging van wethouders in de sfeer van de beroepskostenaftrek kan pas in 2002 aan de orde komen, omdat het duale stelsel, waardoor de arbeidsverhouding van wethouders als een dienstbetrekking kwalificeert, in 2002 is ingevoerd. In 2001 vormden werknemers en wethouders nog geen gelijke gevallen.
Een werknemer werd op 30 november 2000 door zijn werkgever ontslagen. De werknemer vocht het ontslag aan via een procedure bij de kantonrechter. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2001, onder toekenning van een ontslagvergoeding aan de werknemer. Volgens de beschikking van de kantonrechter moesten beide partijen hun eigen proceskosten dragen. Er volgde een tweede procedure om uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en een bonus te bewerkstelligen. In totaal maakte de werknemer in 2001 € 13.185 aan proceskosten. In zijn aangifte inkomstenbelasting bracht hij deze kosten in aftrek op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. De inspecteur weigerde de gevraagde aftrek van kosten, omdat deze aftrek met ingang van 2001 wettelijk niet meer mogelijk is. Wel is een onbelaste vergoeding van door een werknemer te maken of gemaakte kosten nog steeds mogelijk. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2005 beslist dat het ontbreken van de mogelijkheid tot aftrek van beroepskosten naast het bestaan van onbelaste vergoedingen voor bepaalde arbeidskosten geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling inhoudt van gelijke gevallen. Ook de verwijzing naar de beroepskostenaftrek van wethouders had niet het gewenste resultaat. Een eventuele fiscale begunstiging van wethouders in de sfeer van de beroepskostenaftrek kan pas in 2002 aan de orde komen, omdat het duale stelsel, waardoor de arbeidsverhouding van wethouders als een dienstbetrekking kwalificeert, in 2002 is ingevoerd. In 2001 vormden werknemers en wethouders nog geen gelijke gevallen.