Geen afschrijving op pand door optierechten
Bij de bepaling van de jaarlijkse winst van een onderneming wordt door afschrijving rekening gehouden met de vermindering van de bedrijfswaarde van bedrijfsmiddelen. Wanneer de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gelijk is aan de restwaarde van het bedrijfsmiddel is verdere afschrijving niet mogelijk. De restwaarde van een bedrijfsmiddel is het bedrag dat het in elk geval waard zal zijn wanneer het bedrijfsmiddel niet langer bruikbaar is.
De grens van de afschrijvingsmogelijkheden kan ook op andere wijze worden vastgelegd. Een BV verleende aan de kinderen van haar aandeelhouder voor een periode van tien jaar het recht om het bedrijfspand te kopen voor een vastgesteld bedrag. Daartegenover stond het recht van de BV om het pand binnen deze periode aan de kinderen te verkopen voor hetzelfde bedrag. Bij het bepalen van de winst over het jaar waarin de optierechten tot stand kwamen diende de BV ervan uit te gaan dat één van de partijen het optierecht zou uitoefenen. Uitgaande van dat standpunt was de waarde van het pand tenminste gelijk aan de uitoefenprijs van de optierechten. Omdat de uitoefenprijs van de optierechten gelijk was aan de aanschafprijs van het pand was afschrijving niet mogelijk. De vermindering van de bedrijfswaarde van het pand als gevolg van het gebruik in de onderneming kwam door de optierechten niet voor rekening van de BV.
Bij de bepaling van de jaarlijkse winst van een onderneming wordt door afschrijving rekening gehouden met de vermindering van de bedrijfswaarde van bedrijfsmiddelen. Wanneer de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gelijk is aan de restwaarde van het bedrijfsmiddel is verdere afschrijving niet mogelijk. De restwaarde van een bedrijfsmiddel is het bedrag dat het in elk geval waard zal zijn wanneer het bedrijfsmiddel niet langer bruikbaar is.
De grens van de afschrijvingsmogelijkheden kan ook op andere wijze worden vastgelegd. Een BV verleende aan de kinderen van haar aandeelhouder voor een periode van tien jaar het recht om het bedrijfspand te kopen voor een vastgesteld bedrag. Daartegenover stond het recht van de BV om het pand binnen deze periode aan de kinderen te verkopen voor hetzelfde bedrag. Bij het bepalen van de winst over het jaar waarin de optierechten tot stand kwamen diende de BV ervan uit te gaan dat één van de partijen het optierecht zou uitoefenen. Uitgaande van dat standpunt was de waarde van het pand tenminste gelijk aan de uitoefenprijs van de optierechten. Omdat de uitoefenprijs van de optierechten gelijk was aan de aanschafprijs van het pand was afschrijving niet mogelijk. De vermindering van de bedrijfswaarde van het pand als gevolg van het gebruik in de onderneming kwam door de optierechten niet voor rekening van de BV.