Geen afboeking op onzakelijke lening

Om de uitkoop van een aantal certificaathouders mogelijk te maken werd een (overname)holdingvennootschap opgericht. Deze vennootschap zou gefaseerd pakketten certificaten opkopen. De koopsom werd volledig gefinancierd met een lening van een dochtermaatschappij. Het was de bedoeling dat de holding de lening zou aflossen uit een te genereren dividendstroom. Door slechte resultaten van de vennootschap werd geen dividend uitgekeerd aan de holding. Er was geen schriftelijke leningsovereenkomst opgemaakt en een aflossingsschema ontbrak. Zekerheden voor de lening werden niet gevraagd of verstrekt. Nadat de dochtermaatschappij in 1999 een voorziening van ƒ 5.000.000 had getroffen voor de lening volgde een voorziening van ƒ 2.000.000 in 2000. De inspecteur accepteerde deze toevoeging niet. Volgens Hof Arnhem was de geldverstrekking aan de holding mogelijk aangegaan vanuit een zakelijk motief, maar ontbrak aan de vormgeving van de geldverstrekking iedere zakelijkheid. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden geen geldlening hebben verstrekt. Daarom kwam de afwaardering in 2000 niet ten laste van de winst. Volgens de Hoge Raad had de dochtermaatschappij het volle debiteurenrisico van de lening aanvaard om het belang van de holding als aandeelhouder te dienen. Daaruit volgt dat het Hof terecht van oordeel was dat de afwaardering niet ten laste van de winst kwam.
Om de uitkoop van een aantal certificaathouders mogelijk te maken werd een (overname)holdingvennootschap opgericht. Deze vennootschap zou gefaseerd pakketten certificaten opkopen. De koopsom werd volledig gefinancierd met een lening van een dochtermaatschappij. Het was de bedoeling dat de holding de lening zou aflossen uit een te genereren dividendstroom. Door slechte resultaten van de vennootschap werd geen dividend uitgekeerd aan de holding. Er was geen schriftelijke leningsovereenkomst opgemaakt en een aflossingsschema ontbrak. Zekerheden voor de lening werden niet gevraagd of verstrekt. Nadat de dochtermaatschappij in 1999 een voorziening van ƒ 5.000.000 had getroffen voor de lening volgde een voorziening van ƒ 2.000.000 in 2000. De inspecteur accepteerde deze toevoeging niet. Volgens Hof Arnhem was de geldverstrekking aan de holding mogelijk aangegaan vanuit een zakelijk motief, maar ontbrak aan de vormgeving van de geldverstrekking iedere zakelijkheid. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden geen geldlening hebben verstrekt. Daarom kwam de afwaardering in 2000 niet ten laste van de winst. Volgens de Hoge Raad had de dochtermaatschappij het volle debiteurenrisico van de lening aanvaard om het belang van de holding als aandeelhouder te dienen. Daaruit volgt dat het Hof terecht van oordeel was dat de afwaardering niet ten laste van de winst kwam.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u