
Met ingang van 1 januari 2001 geldt de gebruikelijk loonregeling niet alleen voor mensen met een aanmerkelijk belang in een besloten of een naamloze vennootschap, maar ook voor mensen met een aanmerkelijk belang in een ander lichaam. Voorwaarde voor de toepassing van de gebruikelijk loonregeling is dat de aanmerkelijk belanghouder arbeid verricht voor het lichaam. Door deze wijziging valt ook een rechtsvorm als de coöperatie onder het bereik van de gebruikelijk loonregeling.
Het loon van de bestuurder van een coöperatie met een aanmerkelijk belang, inclusief het fictieve loon op grond van de gebruikelijk loonregeling, behoort tot het inkomen uit werk en woning voor de inkomstenbelasting, ongeacht of daarop loonbelasting is ingehouden.
In cassatie bestreed de bestuurder van een coöperatie de toepassing van de gebruikelijk loonregeling met als argument dat de coöperatie nooit is of zal worden gebruikt om belastingheffing te ontgaan en er geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de rechtsvorm coöperatie. Volgens de Hoge Raad biedt noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis steun voor de door de bestuurder bepleite beperkte toepassing van de gebruikelijk loonregeling bij coöperaties.