
Werknemers met een aanmerkelijk belang in de BV waarvoor zij werkzaamheden verrichten moeten tenminste een gebruikelijk loon voor hun werkzaamheden ontvangen. In de praktijk gaat het meestal om de dga en zijn partner. De gebruikelijk loonregeling geldt voor iedere BV waarvoor werkzaamheden worden verricht en waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. Ingeval van een structuur van een holding en een werkmaatschappij betekent dit dat de dga dus twee keer een gebruikelijk loon moet ontvangen als hij voor beide maatschappijen werkt. De toepassing van de gebruikelijk loonregeling leidt nogal eens tot discussie.
In een holdingstructuur bracht de holding aan de werkmaatschappij een managementvergoeding in rekening voor de werkzaamheden die de dga en zijn echtgenote verrichtten voor de werkmaatschappij. Het aan de werkzaamheden van de echtgenote toe te rekenen gedeelte van de managementvergoeding bedroeg in de jaren 2001 tot en met 2005 ongeveer € 17.000. Het restant van de managementvergoeding had betrekking op de werkzaamheden van de dga. De holding betaalde van dit gedeelte van de managementvergoeding ongeveer 50% als salaris aan de dga. De inspecteur vond dat de managementvergoeding de waarde van de arbeidsprestatie van de dga vertegenwoordigde en stelde het loon van de dga op 70% daarvan na aftrek van kosten. Daarnaast vond de inspecteur dat voor de werkzaamheden ten behoeve van de holding het in die jaren geldende minimum van € 38.118 als salaris moest worden betaald.
In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam als volgt. Het hof vond dat de werkzaamheden van de dga niet vergeleken konden worden met die van een werknemer die geen directeur was en die dus een ander takenpakket had. Het hof volgde de zienswijze van de inspecteur op dit onderdeel. Een winstopslag van 10% van de managementvergoeding na aftrek van de beloning voor de echtgenote vond het hof redelijk. Verder kwamen de pensioenlasten en andere kosten van de holding in aftrek op de managementvergoeding. Van het restant merkte het hof 70% aan als gebruikelijk loon voor de dga. Dat leidde tot een beduidend lager loon dan door de inspecteur was vastgesteld.
Ten aanzien van de werkzaamheden voor de holding stelde het hof het gebruikelijk loon zelf vast. Het hof vond dat de inspecteur zijn standpunt niet aannemelijk had gemaakt dat het gebruikelijk loon € 38.118 bedroeg. De dga had niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden voor de holding niet meer tijd kostten dan 1% van de reguliere werktijd, zodat het gebruikelijk loon in die jaren opliep van € 385 tot € 544. Het hof stelde het gebruikelijke loon voor deze werkzaamheden op € 4.000 per jaar.