
Voor auto’s die overwegend als taxi worden gebruikt geldt een teruggaafregeling voor de BPM. Wanneer sprake is van taxivervoer is geregeld in de Wet Personenvervoer 2000. Daaruit blijkt dat sprake moet zijn van het tegen betaling vervoeren van personen. Voor de toepassing van zowel de Wet PV als de Wet BPM geldt dat een met een auto gemaakte rit een rit in het kader van taxivervoer is of een andere rit, ongeacht het karakter van die andere rit.
In een procedure over de BPM ging het over de kwalificatie van bepaalde ritten, met name over het gebruik van taxi’s voor vervoer tijdens vakanties. De eigenaren van het taxibedrijf reden met de taxi naar Spanje. De kosten van de reis werden gedeeltelijk betaald door twee medereizigers. Hof Arnhem was van oordeel dat de ritten naar Spanje en terug voor ten minste de helft van de gereden kilometers privé waren en dat daardoor niet was voldaan aan het vereiste voor teruggaaf van BPM.
Volgens de Hoge Raad ligt in het oordeel van het hof besloten dat het karakter van het vervoer naar Spanje en terug niet in overwegende mate taxivervoer is geweest. Door deze ritten was de auto niet nagenoeg geheel gebruikt voor taxivervoer en dus bestond geen recht op teruggaaf van BPM.