Gebruik in Nederland van in buitenland gehuurde auto

De BPM blijft de gemoederen bezig houden, vooral in de gevallen van het gebruik in Nederland door een Nederlands ingezetene van een auto met een buitenlands (in dit geval Belgisch) kenteken. Deze casus betreft een door de werkgever in het buitenland gehuurde auto die aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld en hoofdzakelijk in Nederland, zowel privé als voor het werk, wordt gebruikt. De looptijd van de huurovereenkomst beliep 36 maanden. Op grond van de bepalingen van de wet was BPM verschuldigd en was de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Hof Den Haag was van oordeel dat de naheffingsaanslag niet in strijd met het vrij verkeer van diensten was opgelegd. De Hoge Raad was daar niet zo zeker van. Tot 1 februari 2007 speelde de gebruiksduur in Nederland bij de heffing van BPM geen enkele rol. Sinds 1 februari 2007 bestaat de mogelijkheid van gedeeltelijke teruggaaf van BPM bij uitvoer naar een andere lidstaat van de EU of wanneer een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van een Nederlands ingezetene. Volgens het Hof van Justitie EG is het toegestaan om BPM te heffen als een auto duurzaam gebruikt wordt in Nederland door de persoon aan wie de auto ter beschikking is gesteld, maar de belasting moet dan wel naar tijdsevenredigheid van het gebruik in Nederland worden vastgesteld. Het is niet toegestaan om belasting te heffen als een voertuig in een andere lidstaat wordt gehuurd en slechts kort in het woonland van de huurder wordt gebruikt, ook niet als de belasting naar tijdsevenredigheid wordt geheven De vraag is of een lidstaat anders dan tijdsevenredig BPM mag heffen als de betrokken auto voor lange tijd wordt verhuurd voor gebruik in een andere lidstaat. De Hoge Raad heeft deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EG.
De BPM blijft de gemoederen bezig houden, vooral in de gevallen van het gebruik in Nederland door een Nederlands ingezetene van een auto met een buitenlands (in dit geval Belgisch) kenteken. Deze casus betreft een door de werkgever in het buitenland gehuurde auto die aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld en hoofdzakelijk in Nederland, zowel privé als voor het werk, wordt gebruikt.
De looptijd van de huurovereenkomst beliep 36 maanden. Op grond van de bepalingen van de wet was BPM verschuldigd en was de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Hof Den Haag was van oordeel dat de naheffingsaanslag niet in strijd met het vrij verkeer van diensten was opgelegd. De Hoge Raad was daar niet zo zeker van. Tot 1 februari 2007 speelde de gebruiksduur in Nederland bij de heffing van BPM geen enkele rol. Sinds 1 februari 2007 bestaat de mogelijkheid van gedeeltelijke teruggaaf van BPM bij uitvoer naar een andere lidstaat van de EU of wanneer een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van een Nederlands ingezetene.
Volgens het Hof van Justitie EG is het toegestaan om BPM te heffen als een auto duurzaam gebruikt wordt in Nederland door de persoon aan wie de auto ter beschikking is gesteld, maar de belasting moet dan wel naar tijdsevenredigheid van het gebruik in Nederland worden vastgesteld. Het is niet toegestaan om belasting te heffen als een voertuig in een andere lidstaat wordt gehuurd en slechts kort in het woonland van de huurder wordt gebruikt, ook niet als de belasting naar tijdsevenredigheid wordt geheven
De vraag is of een lidstaat anders dan tijdsevenredig BPM mag heffen als de betrokken auto voor lange tijd wordt verhuurd voor gebruik in een andere lidstaat. De Hoge Raad heeft deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EG.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u