
De waardeverandering van landbouwgrond vormt geen onderdeel van de winst van een landbouwbedrijf, voor zover deze waardeverandering is ontstaan door de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (WEVAB). De landbouwvrijstelling is vooruitlopend op de invoering van de Wet IB 2001 per 27 juni 2000 gewijzigd. De oude landbouwvrijstelling was ruimer dan de huidige.
Een veehouder verkocht net voor die wijziging op 31 mei 2000 een perceel grond onder voorbehoud van het recht van gebruik voor 73 maanden. Onder de oude landbouwvrijstelling was van belang dat grond nog zes jaar agrarisch werd gebruikt zodat de hele verkoopopbrengst onder de landbouwvrijstelling viel. In dit geval sprak de veehouder met de inspecteur af dat de verkoopwinst onder de landbouwvrijstelling viel in 2000, maar dat de inspecteur de winst alsnog mocht belasten als de grond binnen zes jaar buiten het landbouwbedrijf zou worden gebruikt. De inspecteur meende dat dit laatste zich met ingang van 1 januari 2003 voordeed. De veehouder had in de tussenliggende periode zijn melkvee en zijn melkquotum verkocht en was een stoeterij begonnen. Daarnaast was de voormalige veehouder ook een pensionstalling voor paarden begonnen. Volgens de inspecteur was er geen landbouwbedrijf meer omdat er binnen de onderneming ook andere activiteiten werden verricht. Het houden van sport- en pensionpaarden is geen landbouwactiviteit.
Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005 merkte de rechtbank het bedrijfsmatig fokken en opfokken van paarden aan als een landbouwbedrijf. Hof Leeuwarden deelde de opvatting van de rechtbank. Het (op)fokbedrijf kon los van de andere activiteiten opereren. De andere activiteiten op het verkochte perceel waren van ondergeschikte betekenis. Dat betekende dat de voorwaarde om de landbouwvrijstelling niet toe te passen zich niet had voorgedaan.