
De belastingdienst stelde op enig moment een onderzoek in bij een gebruiker van een administratief softwarepakket. Daaruit bleek dat het programma de gebruiker de mogelijkheid biedt om de omzetten met een door de gebruiker te kiezen percentage af te romen. Het onderzoek werd uitgebreid naar de leverancier van de software en naar klanten van de softwareleverancier die de afroommodule bij het pakket hadden aangeschaft.
In het kader daarvan werd ondermeer de administratie van de exploitant van een aantal groentezaken onderzocht. De exploitant gebruikte het softwarepakket voor de elektronische weegschalen in de winkels. Het programma legde de omzetgegevens van de afgewogen en verkochte artikelen vast in de geheugens van de weegschalen, waarna deze werden verwerkt in de financiële administratie. Vastgesteld werd dat de afroommodule werd gebruikt, waardoor te lage omzetgegevens werden vastgelegd. De financiële administratie sloot cijfermatig aan met de gedane aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting.
De exploitant werd strafrechtelijk veroordeeld voor het verzwijgen van inkomsten. In het strafproces werd bewezen dat de exploitant stelselmatig te lage omzetten had aangegeven en een valse kasadministratie had opgemaakt. Voor de fiscale procedure had dat tot gevolg dat de administratie werd verworpen en de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De exploitant moest overtuigend bewijzen dat en in hoeverre de opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing niet juist waren. De rechtbank en in hoger beroep Hof Den Haag waren van oordeel dat de exploitant daar niet in was geslaagd.