
Direct na de geruisloze inbreng in een BV werd een onderneming doorgeschoven naar een dochtermaatschappij van de BV tegen uitreiking van aandelen. Moeder- en dochtermaatschappij vormden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De fiscale eenheid werd twee jaar later verbroken door de verkoop en levering van een deel van de aandelen in de dochtermaatschappij. De inspecteur legde aan de moedermaatschappij een navorderingsaanslag op wegens overtreding van de standaardvoorwaarden die golden voor de fiscale eenheid. In cassatie stelde de moedermaatschappij zich op het standpunt dat toepassing van de standaardvoorwaarden in strijd was met de Fusierichtlijn.
De Fusierichtlijn geldt voor fusies waarbij vennootschappen van twee of meer lidstaten van de EU zijn betrokken. Die situatie deed zich hier niet voor en dus was de navorderingsaanslag niet in strijd met de Fusierichtlijn opgelegd.
Nederlandse wettelijke regels waarin begrippen uit de Fusierichtlijn zijn overgenomen, moeten worden uitgelegd volgens de richtlijnbepalingen, ook als de fusie in kwestie niet onder de werking van de richtlijn valt. Dat wil echter niet zeggen dat nationale regels moeten worden toegepast op een wijze die niet door uitlegging van de nationale regel met die regel is te verenigen. In dit geval werden de gevolgen van de bedrijfsfusie en de latere aandelenverkoop beheerst door het fiscale eenheidsregime. De bedrijfsfusieregeling van de Wet op de Vennootschapsbelasting was in dit geval niet van toepassing zodat de begrippen die deze regeling gemeen heeft met de Fusierichtlijn niet relevant waren. De toepassing van het fiscale eenheidsregime kon niet leiden tot het door de moedermaatschappij gewenste resultaat.