
Aan de houder van een aanmerkelijk belang in een in het buitenland gevestigde beleggingsvennootschap wordt jaarlijks een forfaitair voordeel toegerekend. Dit voordeel bedraagt 4% van de waarde van de aandelen.
Het in aanmerking nemen van een forfaitair voordeel is geen door het EG-verdrag verboden belemmering van het kapitaalverkeer. De betreffende bepalingen in de Wet IB 2001 zijn op de voornaamste punten identiek aan de overeenkomstige bepaling van de Wet IB zoals deze op 31 december 1993 luidde. Daardoor was de zogenaamde standstillbepaling van toepassing, die inhoudt dat bestaande belemmeringen niet onder het verbod vallen zolang ze niet inhoudelijk gewijzigd worden. Volgens de Hoge Raad is voor het antwoord op de vraag of een wettelijke regeling die is ingevoerd vóór 1994 en op de voornaamste punten ongewijzigd is gebleven, is te karakteriseren als een op 31 december 1993 bestaande beperking, niet van belang om welke reden die beperking is ingevoerd en evenmin dat die reden na 31 december 1993 aan betekenis heeft ingeboet.
Voor de berekening van het forfaitaire voordeel mogen de aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen deelnemingen van de buitenlandse beleggingsvennootschap niet uit de heffingsmaatstaf worden geëlimineerd. In de tekst van de wet is geen aanknopingspunt te vinden voor het maken van onderscheid al naar gelang de in het buitenland gevestigde vennootschap haar beleggingen in Nederland of elders aanhoudt.