Financien wijzigt beleid bij inlening personeel van buitenlands uitzendbureau
Als een werknemer in een ander land woont dan het land waarin hij werkt, mogen de inkomsten uit zijn dienstbetrekking op grond van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing worden belast in het land waar hij werkt (de werkstaat). Hierop bestaat een uitzondering ingeval de werknemer in een jaar niet meer dan 183 dagen in de werkstaat heeft gewerkt en zijn salaris wordt betaald door een werkgever die niet in de werkstaat is gevestigd. In dat geval mogen de inkomsten uit de dienstbetrekking slechts in de woonstaat worden belast. De vraag is hoe het begrip werkgever voor de 183-dagenregeling moet worden uitgelegd. De Nederlandse fiscus is daarbij tot nu toe uitgegaan van een formeel begrip werkgever, dat wil zeggen dat hij als werkgever beschouwde degene met wie de arbeidsovereenkomst gesloten is. Een arrest van de Hoge Raad uit 2003 heeft daar een einde aan gemaakt. Volgens de Hoge Raad moet als werkgever voor de 183-dagenregeling worden beschouwd degene voor wie de arbeid in het buitenland wordt verricht en tot wie de werknemer in een gezagsverhouding staat. Daarbij is niet vereist dat de werknemer met hem een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Deze uitleg van het begrip werkgever is in het bijzonder van belang voor gevallen van uitlening van personeel en detachering. Het arrest is heeft het ministerie van Financien aanleiding gegeven tot aanpassing van zijn standpunt in situaties waarin een werknemer via een buitenlands uitzendbureau in Nederland werkzaamheden verricht. Uitgangspunt is dat het Nederlandse bedrijf, dat gebruik maakt van de diensten van de buitenlandse werknemer voor de 183-dagenregeling als werkgever wordt aangemerkt, ongeacht of er een formele dienstbetrekking is. Dit betekent, dat Nederland belasting mag heffen over de inkomsten uit die werkzaamheden, ook in de situatie dat het verblijf van de werknemer in Nederland niet langer duurt dan 183 dagen. Als de betrokkenen aannemelijk maken, dat de werkgeversfunctie van het buitenlandse uitzendbureau wel inhoud heeft, mag Nederland geen belasting heffen. De beoordeling of de Nederlandse inlener werkgever is voor de toepassing van de 183-dagenregeling staat los van de vraag wie inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is. Dat zal in veel gevallen het buitenlandse uitzendbureau zijn. Het uitzendbureau moet als de 183-dagenregeling niet van toepassing is loonbelasting inhouden en afdragen. Het Nederlandse bedrijf, dat gebruik maakt van de diensten van de buitenlandse werknemer is aansprakelijk voor de verschuldigde loonbelasting.
Als een werknemer in een ander land woont dan het land waarin hij werkt, mogen de inkomsten uit zijn dienstbetrekking op grond van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing worden belast in het land waar hij werkt (de werkstaat). Hierop bestaat een uitzondering ingeval de werknemer in een jaar niet meer dan 183 dagen in de werkstaat heeft gewerkt en zijn salaris wordt betaald door een werkgever die niet in de werkstaat is gevestigd. In dat geval mogen de inkomsten uit de dienstbetrekking slechts in de woonstaat worden belast. De vraag is hoe het begrip werkgever voor de 183-dagenregeling moet worden uitgelegd. De Nederlandse fiscus is daarbij tot nu toe uitgegaan van een formeel begrip werkgever, dat wil zeggen dat hij als werkgever beschouwde degene met wie de arbeidsovereenkomst gesloten is. Een arrest van de Hoge Raad uit 2003 heeft daar een einde aan gemaakt. Volgens de Hoge Raad moet als werkgever voor de 183-dagenregeling worden beschouwd degene voor wie de arbeid in het buitenland wordt verricht en tot wie de werknemer in een gezagsverhouding staat. Daarbij is niet vereist dat de werknemer met hem een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Deze uitleg van het begrip werkgever is in het bijzonder van belang voor gevallen van uitlening van personeel en detachering. Het arrest is heeft het ministerie van Financien aanleiding gegeven tot aanpassing van zijn standpunt in situaties waarin een werknemer via een buitenlands uitzendbureau in Nederland werkzaamheden verricht. Uitgangspunt is dat het Nederlandse bedrijf, dat gebruik maakt van de diensten van de buitenlandse werknemer voor de 183-dagenregeling als werkgever wordt aangemerkt, ongeacht of er een formele dienstbetrekking is. Dit betekent, dat Nederland belasting mag heffen over de inkomsten uit die werkzaamheden, ook in de situatie dat het verblijf van de werknemer in Nederland niet langer duurt dan 183 dagen. Als de betrokkenen aannemelijk maken, dat de werkgeversfunctie van het buitenlandse uitzendbureau wel inhoud heeft, mag Nederland geen belasting heffen. De beoordeling of de Nederlandse inlener werkgever is voor de toepassing van de 183-dagenregeling staat los van de vraag wie inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is. Dat zal in veel gevallen het buitenlandse uitzendbureau zijn. Het uitzendbureau moet als de 183-dagenregeling niet van toepassing is loonbelasting inhouden en afdragen. Het Nederlandse bedrijf, dat gebruik maakt van de diensten van de buitenlandse werknemer is aansprakelijk voor de verschuldigde loonbelasting.