
Een werkgever en een werknemer legden in een vaststellingsovereenkomst vast dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen op 1 oktober 2009. Deze overeenkomst werd op 7 augustus 2009 ondertekend. De werknemer vroeg een WW-uitkering aan met ingang van 1 oktober. Het UWV stelde vast dat in verband met de voor de werknemer geldende opzegtermijn van twee maanden en de ontvangen ontslagvergoeding de WW-uitkering niet eerder inging dan per 1 november 2009.
Volgens de wet worden inkomsten van een werknemer in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot aan het bedrag van het loon over de reguliere opzegtermijn beschouwd als doorbetaling van loon indien de dienstbetrekking eerder eindigt. In het geval van doorbetaling van loon bestaat er geen recht op een WW-uitkering. Dat betekent dat over de fictieve opzegtermijn (bij beëindiging met wederzijds goedvinden hoeft geen rekening gehouden te worden met de geldende opzegtermijn) geen recht op WW-uitkering bestaat als er een beëindigingsvergoeding wordt betaald die gelijk is aan het loon over deze periode.
In dit geval werd de arbeidsovereenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden binnen de periode van twee maanden die als opzegtermijn gold. De fictieve opzegtermijn begon op 1 september 2009 en eindigde op 31 oktober 2009. Pas vanaf die datum had de werknemer recht op WW. In de procedure die volgde slaagde de werknemer er niet in te bewijzen dat al voor 1 augustus 2009 overeenstemming was bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dat geval zou de werknemer wel recht op WW hebben gehad met ingang van 1 oktober 2009.