Fictief rendement buitenlandse beleggingsmaatschappij van toepassing op pensioen-BV op Antillen
Een in Nederland wonende directeur/grootaandeelhouder heeft zijn pensioenrechten ondergebracht in een pensioen-BV, die feitelijk is gevestigd op de Nederlandse Antillen. Het oordeel over de vestigingsplaats van de BV had het Hof gegeven in een procedure over de aanslag vennootschapsbelasting van de BV over het jaar van zetelverplaatsing. Als gevolg van de vestigingsplaats buiten Nederland is het afzien van de pensioenrechten door de DGA niet belast bij hem. Omdat de activiteiten van de BV hoofdzakelijk uit beleggingen bestaan wordt de BV als buitenlandse beleggingsmaatschappij aangemerkt. Onder de oude wet op de inkomstenbelasting moest dan een fictief rendement van 6% over het eigen vermogen van de BV als inkomsten worden aangegeven. Voor de bepaling van het vermogen op 1 januari 1996 is de waardering van de pensioenverplichtingen, die op 31 maart zijn vervallen, van belang. Volgens Hof Den Bosch was de kans, dat de DGA niet zou afzien van zijn pensioenrechten niet groter dan 2,5%. De pensioenverplichting is daarom op 2,5% van de actuariƫle waarde per 1 januari 1996 gesteld. Daardoor was het vermogen van de BV in ruime mate positief (volgens de jaarrekening, waarin de pensioenverplichting op de nominale waarde was gesteld, was het eigen vermogen negatief, waardoor geen fictief rendement hoefde te worden aangegeven). Het fictieve rendement bedroeg 6% van de aldus vastgestelde waarde.
Een in Nederland wonende directeur/grootaandeelhouder heeft zijn pensioenrechten ondergebracht in een pensioen-BV, die feitelijk is gevestigd op de Nederlandse Antillen. Het oordeel over de vestigingsplaats van de BV had het Hof gegeven in een procedure over de aanslag vennootschapsbelasting van de BV over het jaar van zetelverplaatsing. Als gevolg van de vestigingsplaats buiten Nederland is het afzien van de pensioenrechten door de DGA niet belast bij hem. Omdat de activiteiten van de BV hoofdzakelijk uit beleggingen bestaan wordt de BV als buitenlandse beleggingsmaatschappij aangemerkt. Onder de oude wet op de inkomstenbelasting moest dan een fictief rendement van 6% over het eigen vermogen van de BV als inkomsten worden aangegeven. Voor de bepaling van het vermogen op 1 januari 1996 is de waardering van de pensioenverplichtingen, die op 31 maart zijn vervallen, van belang. Volgens Hof Den Bosch was de kans, dat de DGA niet zou afzien van zijn pensioenrechten niet groter dan 2,5%. De pensioenverplichting is daarom op 2,5% van de actuariƫle waarde per 1 januari 1996 gesteld. Daardoor was het vermogen van de BV in ruime mate positief (volgens de jaarrekening, waarin de pensioenverplichting op de nominale waarde was gesteld, was het eigen vermogen negatief, waardoor geen fictief rendement hoefde te worden aangegeven). Het fictieve rendement bedroeg 6% van de aldus vastgestelde waarde.