
Het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen door een aanmerkelijk belanghouder aan zijn BV valt in box 1 van de inkomstenbelasting. Dat betekent dat de opbrengsten belast zijn met het progressieve tarief. Ook de gerealiseerde meerwaarde bij verkoop of bij het einde van de terbeschikkingstelling is belast. Daar staat tegenover dat een waardevermindering van de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen aftrekbaar is. Ter beschikking stellen is een ruim begrip. Niet alleen valt daaronder de situatie waarin juridisch sprake is van een gebruiksrecht, maar ook de situatie waarin de BV feitelijk gebruik maakt van een vermogensbestanddeel van de aandeelhouder.
De rechtbank Haarlem vernietigde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting die de belastingdienst had opgelegd in verband met de juridische beëindiging van pachtcontracten die een BV had afgesloten met haar aandeelhouder. De gepachte grond gebruikte de BV voor de veehandel. Deze handel werd in het eerste kwartaal van 2002 beëindigd. Tot die tijd gebruikte de BV de grond, ondanks de beëindiging van de pachtcontracten per 1 januari van dat jaar. De navorderingsaanslag had betrekking op het jaar 2001. De belastingdienst wilde het verschil tussen de waarde in verpachte staat en de waarde zonder pachtcontract belasten. De waarde in verpachte staat bedroeg volgens de belastingdienst 45% van de waarde in het economische verkeer. Omdat de terbeschikkingstelling niet in 2001 is geëindigd moest de grond zowel op de openingsbalans als op de slotbalans van 2001 op de waarde in verpachte staat worden gesteld. Hof Amsterdam deelt de opvatting van de rechtbank Haarlem.