
Bij de invoer van goederen van buiten de Europese Unie kan belasting worden geheven. De belasting bij invoer wordt geheven over de zogenaamde douanewaarde van de goederen. Uitgangspunt voor de douanewaarde is de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde prijs. Deze wordt verhoogd met door de koper naast de prijs voor de goederen te betalen commissies, maar met uitzondering van inkoopcommissies.
Inkoopcommissies zijn de door een importeur aan de agent die hem bij de aankoop van de goederen vertegenwoordigt daarvoor betaalde vergoedingen. De inkoopcommissies moeten wel van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde prijs kunnen worden onderscheiden. Is dat niet het geval, dan zijn de inkoopcommissies onderdeel van de douanewaarde.
De importeur van bepaalde goederen betaalde voor iedere levering in twee facturen. De eerste factuur bedroeg 70% van het totale bedrag; de tweede factuur 30% van het totale bedrag. Beide facturen werden aan de leverancier betaald. De importeur hield de tweede factuur steeds buiten de aangiften voor de douanerechten, omdat het zou gaan om inkoopcommissies die niet tot de douanewaarde behoren. De persoon aan wie de tweede factuur werd doorbetaald door de leverancier trad niet op als vertegenwoordiger van de importeur bij de aankoop van goederen, maar hield zich bezig met kwaliteitscontrole, controle van de goederen voor verzending en het verzorgen van de verzending. Naar het oordeel van Hof Amsterdam ging het daarom niet om inkoopcommissies, maar eerder om verkoopcommissies. Dat werd ondersteund door de ongebruikelijke wijze van factureren. Normaal gesproken wordt een inkoopcommissie direct betaald aan de inkoopagent en niet via de leverancier. Het hof was van oordeel dat de inspecteur terecht de douanewaarde had gecorrigeerd tot de totale factuurbedragen en terecht douanerechten had nageheven van de importeur.