
Met een beroep op het leerstuk van wetsontduiking kunnen constructies worden bestreden die in strijd zijn met doel en strekking van de wet. Een bestaand feitencomplex wordt dan omgezet waardoor de belastingheffing in overeenstemming wordt gebracht met doel en strekking van de wet, bijvoorbeeld door uit te gaan van de naastbij gelegen situatie die wel tot heffing leidt of door het negeren van een rechtshandeling. Voorwaarde voor de toepassing van het leerstuk van wetsontduiking is dat het bereiken van belastingbesparing de enige of de doorslaggevende reden is geweest om een bepaalde transactie aan te gaan.
Voor een eigen woning geldt een beperkt aantal aftrekposten. Aftrekbaar zijn de betaalde hypotheekrente (met inachtneming van zekere beperkingen) en betaalde canons voor een erfpachtrecht. Een eigenaar van een woning verkocht de ondergrond en het erf van zijn woning aan een bank, onder gelijktijdige vestiging van een erfpachtrecht voor hem. Op deze manier verkreeg hij extra liquide middelen. Zou hij een aanvullende lening hebben gesloten bij de bank, dan zou de rente niet aftrekbaar zijn omdat niet aan de voorwaarden voor aftrek was voldaan. Voor een erfpachtcanon gelden geen beperkingen van de aftrekbaarheid. In de overeenkomst was opgenomen dat de canon zou worden aangepast indien deze niet aftrekbaar zou zijn.
De rechtbank was van oordeel dat het samenstel van rechtshandelingen, bestaande uit de verkoop van de grond en de vestiging van het erfpachtrecht, de belanghebbende de mogelijkheid gaf om in zijn huis te blijven wonen en daarnaast over liquide middelen te beschikken. Financieel was deze constructie alleen aantrekkelijk als de canons fiscaal aftrekbaar waren. Met de verkregen middelen loste de belanghebbende andere bankschulden af dan zijn eigenwoningschuld. De rechtbank was van oordeel dat belastingbesparing het enige doel van het complex van rechtshandelingen was. Daarmee handelde de belanghebbende in strijd met doel en strekking van de wet. De eigendomsoverdracht van de grond werd fiscaal genegeerd. De ontvangen koopsom werd als lening aangemerkt en de canons als rente- en aflossingsbetalingen. Volgens de rechtbank had de Belastingdienst terecht het aangegeven inkomen gecorrigeerd.
De rechtbank vernietigde wel de opgelegde boete, omdat sprake was van een pleitbaar standpunt. De bank had een advies van een gerenommeerd belastingadviesbureau gekregen waarin stond dat de erfpachtcanon in aftrek zou kunnen worden gebracht. De transacties waren opgezet door en aangegaan met een gerenommeerde bank en de Hoge Raad heeft zich tot op heden over deze materie nog niet uitgesproken.