Emigratie na geruisloze inbreng
Ter voorkoming van directe belastingheffing bij de inbreng van een onderneming in een BV kent de Wet IB 2001 de faciliteit van de geruisloze inbreng. Toepassing van deze faciliteit houdt in dat de BV begint met de fiscale boekwaarden zoals die bij de inbrenger golden op het moment van inbreng en niet met de mogelijk hogere waarde in het economische verkeer. Voor toepassing van de faciliteit moet een verzoek worden gedaan aan de inspecteur. De staatssecretaris van Financiƫn heeft de bevoegdheid om voorwaarden te stellen aan de toepassing van de faciliteit. Van deze bevoegdheid heeft de staatssecretaris gebruik gemaakt door de publicatie van een aantal standaardvoorwaarden. De eerste standaardvoorwaarde bepaalt dat de faciliteit wordt teruggenomen bij verkoop van de aandelen in de BV binnen drie jaren na de inbreng van de onderneming. Dat houdt in, dat de inbrenger alsnog geconfronteerd wordt met belastingheffing over de in de onderneming aanwezige meerwaarden op het moment van de inbreng. Wel heeft de inbrenger de mogelijkheid om te bewijzen dat de aandelenverkoop niet de vooropgezette bedoeling was. In de toelichting op de eerste standaardvoorwaarde merkt de staatssecretaris op dat emigratie van de inbrenger binnen drie jaren na de inbreng van de ondernemer als een vervreemding van de aandelen geldt.
Volgens Hof Arnhem heeft de staatssecretaris met deze bepaling zijn bevoegdheid overschreden. Door de emigratie van de aandeelhouder gaan de aandelen niet over naar het vermogen van een andere persoon dan de inbrenger. De inbrenger verkrijgt door emigratie geen liquide middelen waarmee hij de belasting die zonder de faciliteit verschuldigd zou zijn kan betalen. De geruisloze inbreng is bedoeld om liquiditeitsproblemen te voorkomen die het gevolg zijn van de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming. Het is in strijd met de strekking van deze faciliteit om dan bij emigratie wel belasting te heffen.
Ter voorkoming van directe belastingheffing bij de inbreng van een onderneming in een BV kent de Wet IB 2001 de faciliteit van de geruisloze inbreng. Toepassing van deze faciliteit houdt in dat de BV begint met de fiscale boekwaarden zoals die bij de inbrenger golden op het moment van inbreng en niet met de mogelijk hogere waarde in het economische verkeer. Voor toepassing van de faciliteit moet een verzoek worden gedaan aan de inspecteur. De staatssecretaris van Financiƫn heeft de bevoegdheid om voorwaarden te stellen aan de toepassing van de faciliteit. Van deze bevoegdheid heeft de staatssecretaris gebruik gemaakt door de publicatie van een aantal standaardvoorwaarden. De eerste standaardvoorwaarde bepaalt dat de faciliteit wordt teruggenomen bij verkoop van de aandelen in de BV binnen drie jaren na de inbreng van de onderneming. Dat houdt in, dat de inbrenger alsnog geconfronteerd wordt met belastingheffing over de in de onderneming aanwezige meerwaarden op het moment van de inbreng. Wel heeft de inbrenger de mogelijkheid om te bewijzen dat de aandelenverkoop niet de vooropgezette bedoeling was. In de toelichting op de eerste standaardvoorwaarde merkt de staatssecretaris op dat emigratie van de inbrenger binnen drie jaren na de inbreng van de ondernemer als een vervreemding van de aandelen geldt.
Volgens Hof Arnhem heeft de staatssecretaris met deze bepaling zijn bevoegdheid overschreden. Door de emigratie van de aandeelhouder gaan de aandelen niet over naar het vermogen van een andere persoon dan de inbrenger. De inbrenger verkrijgt door emigratie geen liquide middelen waarmee hij de belasting die zonder de faciliteit verschuldigd zou zijn kan betalen. De geruisloze inbreng is bedoeld om liquiditeitsproblemen te voorkomen die het gevolg zijn van de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming. Het is in strijd met de strekking van deze faciliteit om dan bij emigratie wel belasting te heffen.