
Grondslag voor de heffing van douanerechten is de douanewaarde. De douanewaarde is normaliter gelijk aan de betaalde prijs. In het Communautair Douane Wetboek (CDW) is bepaald dat elementen die van de voor ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn te onderscheiden geen deel uitmaken van de douanewaarde. Het gaat dan om invoerrechten en andere belastingen die vanwege de invoer of de verkoop betaald moeten worden.
De vraag in een procedure was of deze bepaling kon worden toegepast wanneer als uitgangspunt is genomen dat geen douanerechten verschuldigd zijn, maar deze achteraf, door het opleggen van een naheffing, wel verschuldigd zijn. De Douanekamer van Amsterdam vond niet aannemelijk dat de op de aangifte vermelde transactieprijs een bedrag aan douanerechten bevatte, gezien het uitgangspunt dat geen douanerechten verschuldigd waren. Vermelding van de leveringsconditie DDP (delivered duties paid) vond de Douanekamer onvoldoende om te veronderstellen dat er wel rekening was gehouden met een bedrag aan douanerechten. De Douanekamer zag geen aanleiding om een deel van de transactieprijs toe te rekenen aan douanerechten die achteraf verschuldigd bleken te zijn en die volgens het CDW geen deel uitmaken van de douanewaarde.
Na beantwoording van prejudiciƫle vragen door het Hof van Justitie EU heeft de Hoge Raad in deze zaak de eindbeslissing gegeven. Volgens het Hof van Justitie EU is de voorwaarde dat invoerrechten "onderscheiden" zijn van de werkelijk betaalde prijs voor de ingevoerde goederen vervuld, wanneer de goederen DDP zullen worden geleverd en zij deze vermelding op de douaneaangifte hebben ingeschreven, maar zij wegens een vergissing over de oorsprong van de goederen geen bedrag aan invoerrechten hebben vermeld. De Hoge Raad heeft de uitnodigingen tot betaling verminderd.