
Onder de WAO konden werkgevers sinds 1 januari 1998 kiezen om het risico van arbeidsongeschiktheid zelf te dragen. Een bedrijf dat eigen risicodrager voor de WAO was, moest de aan een arbeidsongeschikte werknemer toegekende WAO-uitkering gedurende een zekere periode betalen. Aanvankelijk bedroeg die periode vijf jaar, maar na verlenging van de wachttijd tot twee jaar is de periode teruggebracht tot vier jaar. Het gaat om uitkeringen aan werknemers die op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid bij de eigen risicodrager in dienst waren.
Een werkgever die met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager was, moest de uitkering betalen van een voormalige werknemer die met ingang van 15 december 2004 een WAO-uitkering kreeg omdat de werknemer op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid bij deze werkgever in dienst was.
Volgens de Centrale Raad van Beroep is, wanneer de werknemer gedurende de gehele wachttijd arbeidsongeschikt is gebleven en hij dat na afloop van de periode nog steeds is, niet van belang of gedurende die wachttijd de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is gewijzigd.
Er hoeft geen oorzakelijk verband tussen de aanvankelijke oorzaak van de arbeidsongeschiktheid en de oorzaak die uiteindelijk heeft geleid tot toekenning van de WAO-uitkering te bestaan. De werkgever meende dat hij bij verandering van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet het risico van betaling van de WAO-uitkering droeg.