Doorbelaste BTW niet aftrekbaar als voorbelasting
In verband met de voortijdige beëindiging van een leaseovereenkomst stuurde een autoleasebedrijf een factuur voor een bedrag van ƒ 70.000, vermeerderd met ƒ 12.250 aan BTW. De factuur werd niet gestuurd naar het bedrijf dat de auto leasete, maar naar het bedrijf waarvoor de berijder van de auto werkzaam was op basis van een managementcontract. Dit bedrijf betaalde deze factuur en trok de daarop vermelde BTW als voorbelasting af. De belastingdienst weigerde de aftrek. Vervolgens belastte het bedrijf deze niet in aftrek toegelaten BTW door aan het bedrijf dat de auto geleast had van het leasebedrijf.
Na een boekenonderzoek corrigeerde de belastingdienst de aftrek van het BTW-bedrag door het opleggen van een naheffingsaanslag. Volgens de rechtbank was dat terecht. De enkele bereidheid van een derde om voor een ander een geldbedrag te voldoen vormt geen levering of dienst, zeker niet nu daarvoor geen vergoeding in rekening is gebracht. Aan de factuur lag geen prestatie ten grondslag, terwijl de factuur niet op de voorgeschreven wijze opgemaakt was. Omdat het bedrijf volgens de rechtbank wist of had moeten weten dat de factuur niet correct was en er dus geen recht op aftrek van voorbelasting bestond had het bedrijf willens en wetens te weinig belasting voldaan. De door de belastingdienst opgelegde vergrijpboete was passend en geboden.
In verband met de voortijdige beëindiging van een leaseovereenkomst stuurde een autoleasebedrijf een factuur voor een bedrag van ƒ 70.000, vermeerderd met ƒ 12.250 aan BTW. De factuur werd niet gestuurd naar het bedrijf dat de auto leasete, maar naar het bedrijf waarvoor de berijder van de auto werkzaam was op basis van een managementcontract. Dit bedrijf betaalde deze factuur en trok de daarop vermelde BTW als voorbelasting af. De belastingdienst weigerde de aftrek. Vervolgens belastte het bedrijf deze niet in aftrek toegelaten BTW door aan het bedrijf dat de auto geleast had van het leasebedrijf.
Na een boekenonderzoek corrigeerde de belastingdienst de aftrek van het BTW-bedrag door het opleggen van een naheffingsaanslag. Volgens de rechtbank was dat terecht. De enkele bereidheid van een derde om voor een ander een geldbedrag te voldoen vormt geen levering of dienst, zeker niet nu daarvoor geen vergoeding in rekening is gebracht. Aan de factuur lag geen prestatie ten grondslag, terwijl de factuur niet op de voorgeschreven wijze opgemaakt was. Omdat het bedrijf volgens de rechtbank wist of had moeten weten dat de factuur niet correct was en er dus geen recht op aftrek van voorbelasting bestond had het bedrijf willens en wetens te weinig belasting voldaan. De door de belastingdienst opgelegde vergrijpboete was passend en geboden.