
Wegens overtreding van het kartelverbod legde de Europese Commissie een boete op aan een internationaal concern. De boete had betrekking op meerdere tot het concern behorende ondernemingen, die in verschillende lidstaten van de EU waren gevestigd. De hoogte van de geldboete was gerelateerd aan de wereldwijde omzet van het concern. De boete werd opgelegd aan een Duitse concernvennootschap. De Duitse vennootschap belastte een deel van de boete door aan een Nederlandse concernvennootschap. De vraag in een procedure was of en in hoeverre de Nederlandse vennootschap het aan haar doorbelaste deel van de boete in aftrek kon brengen op haar winst.
Op grond van de Wet IB 2001 komt een mededingingsboete, die is opgelegd door een instelling van de Europese Unie, niet in aftrek op de winst. Hof Amsterdam was van oordeel dat zo het doorbelaste deel van de boete al niet moest worden aangemerkt als een opgelegde boete en om die reden niet in aftrek kwam, de doorbelasting moest worden beschouwd als een last die verband hield met de aan de Duitse concernvennootschap opgelegde boete. Ook in dat geval was het doorbelaste deel van de boete niet aftrekbaar.
Volgens de Hoge Raad geldt het doorbelaste bedrag als een deel van een door een instelling van de Europese Unie opgelegde geldboete, zodat het bedrag niet voor aftrek in aanmerking komt. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de gehele boete in Duitsland niet in aftrek kon worden gebracht, komt het doorbelaste deel niet in aanmerking voor aftrek op de winst in Nederland.