
Ondernemers hebben binnen de grenzen van de redelijkheid de keuze om vermogensbestanddelen die zij voor hun onderneming gebruiken tot hun privé- of tot hun ondernemingsvermogen te rekenen. Vermogensbestanddelen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend privé gebruikt worden, dat wil zeggen voor 90% of meer, zijn verplicht privévermogen. Vermogensbestanddelen die voor 90% of meer zakelijk gebruikt worden zijn verplicht ondernemingsvermogen. In andere gevallen heeft de ondernemer de keuze.
Een ondernemer had in zijn woonhuis een praktijkruimte. De praktijkruimte was niet fysiek afgescheiden van de rest van de woning en was niet verhuurbaar zonder ernstige verstoring van het privé woongenot. Voor de vermogensetikettering was sprake van één vermogensbestanddeel.
Voor verbouwing van de woning bedroeg het zakelijke gebruik minder dan 10%. Tot die tijd was sprake van verplicht privévermogen. Na verbouwing werd een groter gedeelte van de woning voor de onderneming gebruikt. De ondernemer wilde vanwege het toegenomen zakelijke gebruik de woning tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. De inspecteur weigerde dat. Naar zijn mening was sprake van een keuzeherziening. Voor herziening van een gemaakte keuze bij de vermogensetikettering is een bijzondere omstandigheid zoals een wetswijziging, een wijziging van het gebruik of een ingrijpende verbouwing vereist. Een dergelijke omstandigheid ontbrak echter.
De rechtbank stelde vast dat de woning, wanneer deze in de huidige staat zou worden aangeschaft, tot het ondernemingsvermogen zou mogen worden gerekend omdat circa 12% van de woning zakelijk werd gebruikt. Anders dan de inspecteur meende was hier geen sprake van keuzeherziening omdat de woning aanvankelijk tot het verplichte privévermogen behoorde. Door de verbouwing wijzigde de status van de woning van verplicht privévermogen in keuzevermogen en ontstond een keuzemogelijkheid die er eerder niet was.