Door toepassing kortingsregeling bleef 30%-regeling buiten bereik
Toepassing van de 30%-regeling is niet alleen mogelijk voor buitenlanders die in Nederland komen werken, maar ook voor Nederlanders die na een lange tijd in het buitenland te hebben gewoond naar Nederland komen om te werken. Wanneer de 30%-regeling van toepassing is geldt deze voor een periode van maximaal 10 jaar. De looptijd wordt verminderd met de perioden van eerdere werkzaamheden of eerder verblijf in Nederland (de kortingsregeling). Een procedure had betrekking op de vraag wat de invloed was van de kortingsregeling op de toepassing van de 30%-regeling in het geval van een Nederlander die vanaf zijn geboorte in 1962 tot 25 juli 1989 in Nederland woonde. Daarna werkte hij tot 1 juli 1991 in de Verenigde Staten van Amerika. Van 1 juli 1991 tot 1 oktober 1992 werkte hij in Nederland. Op 15 september 1992 vertrok hij naar Frankrijk om daar tot 1 augustus 2002 te werken. Per 1 september 2002 ging hij weer in Nederland werken. Het Hof was van oordeel dat perioden van eerdere tewerkstelling of van eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voor de aanvangsdatum van de tewerkstelling in Nederland waarop de aanvraag betrekking had waren geëindigd, buiten aanmerking bleven bij de toepassing van de kortingsregeling. Het Hof liet de perioden van verblijf en tewerkstelling in Nederland vóór 1 september 1987 buiten aanmerking en berekende de korting aan de hand van het verblijf in Nederland vóór 25 juli 1989 voor zover dit na 1 september 1987 had plaatsgevonden. De Hoge Raad was het met die uitwerking niet eens. De Hoge Raad maakte onderscheid tussen de beide perioden waarin de belanghebbende eerder in Nederland werkte of verbleef. Periode 1 liep van 1962 tot 25 juli 1989 en periode 2 van 1 juli 1991 tot 15 september 1992. Periode 2 eindigde minder dan tien jaar voorafgaand aan de huidige tewerkstelling die begon op 1 september 2002. Periode 2 moest daarom integraal worden gekort op de duur van de 30%-regeling. Periode 1 eindigde meer dan tien maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de huidige tewerkstelling. Aan de voorwaarde dat de belanghebbende "in de periode van tien jaar niet in Nederland was tewerkgesteld of had verbleven" was niet voldaan, gezien periode 2. Volgens de hoofdregel zou periode 1 daarom ook integraal gekort worden, tenzij in de periode van 10 jaar voorafgaande aan de gevraagde ingangsdatum van de regeling er niet meer dan een (incidentele) korte periode van eerdere tewerkstelling zou zijn geweest. Het ging in dit geval om een periode van slechts 15 dagen, namelijk van 1 tot 15 september 1992, maar deze maakte deel uit van een periode die in totaal ruim veertien maanden besloeg. Ook periode 1 moest daarom integraal worden gekort. Dat had tot gevolg dat er geen resterende periode voor toepassing van de 30%-regeling overbleef.
Toepassing van de 30%-regeling is niet alleen mogelijk voor buitenlanders die in Nederland komen werken, maar ook voor Nederlanders die na een lange tijd in het buitenland te hebben gewoond naar Nederland komen om te werken. Wanneer de 30%-regeling van toepassing is geldt deze voor een periode van maximaal 10 jaar. De looptijd wordt verminderd met de perioden van eerdere werkzaamheden of eerder verblijf in Nederland (de kortingsregeling). Een procedure had betrekking op de vraag wat de invloed was van de kortingsregeling op de toepassing van de 30%-regeling in het geval van een Nederlander die vanaf zijn geboorte in 1962 tot 25 juli 1989 in Nederland woonde. Daarna werkte hij tot 1 juli 1991 in de Verenigde Staten van Amerika. Van 1 juli 1991 tot 1 oktober 1992 werkte hij in Nederland. Op 15 september 1992 vertrok hij naar Frankrijk om daar tot 1 augustus 2002 te werken. Per 1 september 2002 ging hij weer in Nederland werken. Het Hof was van oordeel dat perioden van eerdere tewerkstelling of van eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voor de aanvangsdatum van de tewerkstelling in Nederland waarop de aanvraag betrekking had waren geëindigd, buiten aanmerking bleven bij de toepassing van de kortingsregeling. Het Hof liet de perioden van verblijf en tewerkstelling in Nederland vóór 1 september 1987 buiten aanmerking en berekende de korting aan de hand van het verblijf in Nederland vóór 25 juli 1989 voor zover dit na 1 september 1987 had plaatsgevonden. De Hoge Raad was het met die uitwerking niet eens. De Hoge Raad maakte onderscheid tussen de beide perioden waarin de belanghebbende eerder in Nederland werkte of verbleef. Periode 1 liep van 1962 tot 25 juli 1989 en periode 2 van 1 juli 1991 tot 15 september 1992. Periode 2 eindigde minder dan tien jaar voorafgaand aan de huidige tewerkstelling die begon op 1 september 2002. Periode 2 moest daarom integraal worden gekort op de duur van de 30%-regeling. Periode 1 eindigde meer dan tien maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de huidige tewerkstelling. Aan de voorwaarde dat de belanghebbende "in de periode van tien jaar niet in Nederland was tewerkgesteld of had verbleven" was niet voldaan, gezien periode 2. Volgens de hoofdregel zou periode 1 daarom ook integraal gekort worden, tenzij in de periode van 10 jaar voorafgaande aan de gevraagde ingangsdatum van de regeling er niet meer dan een (incidentele) korte periode van eerdere tewerkstelling zou zijn geweest. Het ging in dit geval om een periode van slechts 15 dagen, namelijk van 1 tot 15 september 1992, maar deze maakte deel uit van een periode die in totaal ruim veertien maanden besloeg. Ook periode 1 moest daarom integraal worden gekort. Dat had tot gevolg dat er geen resterende periode voor toepassing van de 30%-regeling overbleef.