
Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven kan de belastingdienst dat herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag. Voor het opleggen van een navorderingsaanslag is vereist dat de belastingdienst beschikt over een nieuw feit, dat is een feit dat bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was.
Volgens Hof Arnhem was geen sprake van een nieuw feit in een geval waarin door de FIOD/ECD in 2003 en 2004 een strafrechtelijk onderzoek was uitgevoerd naar een BV en haar dga. Eind oktober 2004 verleende de officier van justitie de inspecteur toestemming om de processen-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken voor de belastingheffing. Tien maanden later legde de inspecteur de aanslag IB voor het jaar 2003 op aan de dga, conform de door hem ingediende aangifte. De resultaten van het strafrechtelijk onderzoek leidden tot het instellen van een boekenonderzoek bij de BV in 2006. Dat leidde tot een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting. De inspecteur legde aan de dga een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op.
Volgens het hof moet de inspecteur voor de verwerking van de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek een redelijke termijn worden gegund. Deze termijn was verstreken toen de inspecteur de primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 vaststelde. De inhoud van de toegezonden stukken had voor de aanslagregelend ambtenaar aanleiding moeten zijn om een nader onderzoek in te stellen.
Om na te vorderen zonder nieuw feit moet de belastingplichtige te kwader trouw zijn geweest. Naar het oordeel van het hof slaagde de inspecteur er niet in om aannemelijk te maken dat de dga en de BV opzettelijk onjuiste aangifte hadden gedaan. De dga was bij het doen van zijn aangifte niet te kwader trouw. Dat betekende dat de navorderingsaanslag vernietigd moest worden.