Directeur met 20 % belang was in dienstbetrekking
De directie van een reclame- en adviesbureau bestond uit drie aandeelhouders. De aandelen waren niet gelijkmatig verdeeld over de aandeelhouders. Een van de directieleden was een BV, die voor 20 % aandeelhouder was. De directeur en enig aandeelhouder (DGA) van die BV was volgens het UWV bij het reclamebureau werkzaam in een privaatrechtelijke diensbetrekking omdat aan de drie criteria daarvoor werd voldaan. Deze criteria zijn persoonlijke dienstverrichting, een gezagsverhouding en loonbetaling. Het UWV legde over een reeks van jaren correctienota’s en boetes op aan het reclamebedrijf. De rechtbank wees het beroep van het reclamebedrijf tegen de correcties en de boetes af. Volgens de rechtbank golden de aan de BV betaalde managementfee en winstuitdeling als loonbetaling omdat zij de contraprestatie vormden voor de door de DGA verrichte arbeid. Deze arbeid verrichtte hij steeds persoonlijk, waarbij nog van belang was dat het reclamebureau met hem in zee was gegaan vanwege zijn persoonlijke kwaliteiten. Vanwege het 20 %-belang kon de DGA in de algemene vergadering van aandeelhouders hem onwelgevallige beslissingen niet tegenhouden. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak merkte de Centrale Raad van Beroep op dat loon niet een naar tijd bepaalde geldelijke vergoeding hoeft te zijn, maar ook van het resultaat van de arbeid afhankelijk kan zijn. Volgens de Centrale Raad waren er onvoldoende aanwijzingen voor het gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken personen.
De directie van een reclame- en adviesbureau bestond uit drie aandeelhouders. De aandelen waren niet gelijkmatig verdeeld over de aandeelhouders. Een van de directieleden was een BV, die voor 20 % aandeelhouder was. De directeur en enig aandeelhouder (DGA) van die BV was volgens het UWV bij het reclamebureau werkzaam in een privaatrechtelijke diensbetrekking omdat aan de drie criteria daarvoor werd voldaan. Deze criteria zijn persoonlijke dienstverrichting, een gezagsverhouding en loonbetaling. Het UWV legde over een reeks van jaren correctienota’s en boetes op aan het reclamebedrijf. De rechtbank wees het beroep van het reclamebedrijf tegen de correcties en de boetes af. Volgens de rechtbank golden de aan de BV betaalde managementfee en winstuitdeling als loonbetaling omdat zij de contraprestatie vormden voor de door de DGA verrichte arbeid. Deze arbeid verrichtte hij steeds persoonlijk, waarbij nog van belang was dat het reclamebureau met hem in zee was gegaan vanwege zijn persoonlijke kwaliteiten. Vanwege het 20 %-belang kon de DGA in de algemene vergadering van aandeelhouders hem onwelgevallige beslissingen niet tegenhouden. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak merkte de Centrale Raad van Beroep op dat loon niet een naar tijd bepaalde geldelijke vergoeding hoeft te zijn, maar ook van het resultaat van de arbeid afhankelijk kan zijn. Volgens de Centrale Raad waren er onvoldoende aanwijzingen voor het gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken personen.