Directe investering

De Wet Vpb ’69 kent een bijzonder regime voor fiscale beleggingsinstellingen (FBI). Het regime wil de belastingdruk op beleggingsopbrengsten via een FBI zoveel mogelijk gelijk laten zijn aan de belastingdruk bij rechtstreeks beleggen door particuliere beleggers. De beleggingsopbrengsten worden zoveel mogelijk belast alsof het rechtstreeks door de aandeelhouders in de FBI genoten opbrengsten betreft. Dat gebeurt door een nultarief toe te passen op de winst van de FBI en door de FBI te verplichten om behaalde winsten zoveel mogelijk uit te keren. Voor ingehouden buitenlandse bronbelasting kan een tegemoetkoming worden verleend. De tegemoetkoming kent een aantal beperkingen. Zo is de tegemoetkoming beperkt tot gevallen waarin, bij rechtstreekse belegging door in Nederland wonende aandeelhouders, recht op verrekening van buitenlandse belasting met Nederlandse inkomstenbelasting zou bestaan. Het belastingverdrag met Duitsland voorziet niet in een recht op verrekening van door Duitsland ingehouden belasting op door een in Nederland wonende persoon verkregen dividenden. Verder wordt de tegemoetkoming verminderd naar de mate waarin niet in Nederland wonende personen en niet in Nederland gevestigde lichamen deelnemen in het kapitaal van een FBI. Hof Amsterdam was van oordeel dat beide beperkingen van de tegemoetkoming een niet toegestane beperking van het vrije kapitaalverkeer inhielden. De Hoge Raad meende dat nadere uitleg van het EG-recht nodig was en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EG. Het Hof van Justitie EG oordeelde dat een beperking van de te verstrekken tegemoetkoming voor in een andere lidstaat ingehouden bronheffing op ontvangen dividenden tot het bedrag dat een inwoner volgens het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen beide betrokken landen zou kunnen verrekenen niet in strijd is met het EG-recht. De beperking van de tegemoetkoming in verband met de woon- of vestigingsplaats van de aandeelhouders van de FBI is wel in strijd met het EG-recht. Op grond van de zogenaamde standstillbepaling uit het EG-verdrag zijn op 31 december 1993 bestaande beperkingen van het kapitaalverkeer toegestaan als het gaat om directe investeringen. Dat zijn investeringen van natuurlijke of rechtspersonen in de vestiging of de handhaving van duurzame en directe betrekkingen tussen de kapitaalverschaffer en de onderneming. Volgens de Hoge Raad is het participeren in een beleggingsinstelling in het algemeen niet gericht op de vestiging of handhaving van duurzame en directe betrekkingen tussen de participant en de beleggingsinstelling. De standstillbepaling is dus niet van toepassing, met als gevolg dat de tegemoetkoming voor de ingehouden bronbelasting niet mag worden beperkt naar rato van de woonplaats van de aandeelhouders.
De Wet Vpb ’69 kent een bijzonder regime voor fiscale beleggingsinstellingen (FBI). Het regime wil de belastingdruk op beleggingsopbrengsten via een FBI zoveel mogelijk gelijk laten zijn aan de belastingdruk bij rechtstreeks beleggen door particuliere beleggers. De beleggingsopbrengsten worden zoveel mogelijk belast alsof het rechtstreeks door de aandeelhouders in de FBI genoten opbrengsten betreft. Dat gebeurt door een nultarief toe te passen op de winst van de FBI en door de FBI te verplichten om behaalde winsten zoveel mogelijk uit te keren. Voor ingehouden buitenlandse bronbelasting kan een tegemoetkoming worden verleend. De tegemoetkoming kent een aantal beperkingen. Zo is de tegemoetkoming beperkt tot gevallen waarin, bij rechtstreekse belegging door in Nederland wonende aandeelhouders, recht op verrekening van buitenlandse belasting met Nederlandse inkomstenbelasting zou bestaan.
Het belastingverdrag met Duitsland voorziet niet in een recht op verrekening van door Duitsland ingehouden belasting op door een in Nederland wonende persoon verkregen dividenden. Verder wordt de tegemoetkoming verminderd naar de mate waarin niet in Nederland wonende personen en niet in Nederland gevestigde lichamen deelnemen in het kapitaal van een FBI.
Hof Amsterdam was van oordeel dat beide beperkingen van de tegemoetkoming een niet toegestane beperking van het vrije kapitaalverkeer inhielden. De Hoge Raad meende dat nadere uitleg van het EG-recht nodig was en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EG.
Het Hof van Justitie EG oordeelde dat een beperking van de te verstrekken tegemoetkoming voor in een andere lidstaat ingehouden bronheffing op ontvangen dividenden tot het bedrag dat een inwoner volgens het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen beide betrokken landen zou kunnen verrekenen niet in strijd is met het EG-recht.
De beperking van de tegemoetkoming in verband met de woon- of vestigingsplaats van de aandeelhouders van de FBI is wel in strijd met het EG-recht. Op grond van de zogenaamde standstillbepaling uit het EG-verdrag zijn op 31 december 1993 bestaande beperkingen van het kapitaalverkeer toegestaan als het gaat om directe investeringen. Dat zijn investeringen van natuurlijke of rechtspersonen in de vestiging of de handhaving van duurzame en directe betrekkingen tussen de kapitaalverschaffer en de onderneming.
Volgens de Hoge Raad is het participeren in een beleggingsinstelling in het algemeen niet gericht op de vestiging of handhaving van duurzame en directe betrekkingen tussen de participant en de beleggingsinstelling. De standstillbepaling is dus niet van toepassing, met als gevolg dat de tegemoetkoming voor de ingehouden bronbelasting niet mag worden beperkt naar rato van de woonplaats van de aandeelhouders.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u