
Een werkgever kan een werknemer op staande voet ontslaan als de werknemer zich zodanig heeft gedragen dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevraagd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Bij de beoordeling van een ontslag op staande voet moeten alle omstandigheden in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Belangrijk is de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. Ook de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer spelen een rol. Volgens de Hoge Raad kan ontslag op staande voet zelfs gerechtvaardigd zijn wanneer de gevolgen daarvan voor de werknemer ingrijpend zijn, afhankelijk van de ernst van de dringende reden.
Diefstal door een werknemer levert een dringende reden voor ontslag op omdat de werkgever de werknemer daardoor niet langer kan vertrouwen. De bewijslast voor het bestaan van een dringende reden ligt bij de werkgever.
De exploitant van een groothandel ontsloeg een werkneemster op staande voet omdat zij een potje crème had gestolen. Dat was zichtbaar op videobeelden die de werkgever had opgenomen met een verborgen camera in de ruimte waar de werkneemster zich bevond. De werkneemster was bekend met de huisregels van de werkgever. In deze regels stond ondermeer dat diefstal, ongeacht de waarde van het gestolene, aanleiding was voor ontslag op staande voet. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan diefstal van aan de werkgever toebehorende goederen, ook als de waarde van de weggenomen goederen zeer bescheiden is, voldoende grond opleveren voor een ontslag op staande voet.
Ook in dit geval was de kantonrechter van oordeel dat de diefstal voldoende aanleiding was voor het gegeven ontslag. De goede staat van dienst van de werkneemster vond de kantonrechter onvoldoende om het ontslag op staande voet tegen te houden.