DGA geen ondernemer voor omzetbelasting
Een BV, ondernemer voor de omzetbelasting, stelde aan haar DGA een auto aan ter beschikking, die hij ook privé gebruikte. De op de auto drukkende omzetbelasting werd door de BV als voorbelasting verrekend. In de laatste aangifte van een kalenderjaar verwerkte de BV een correctie op deze aftrek in verband met het privégebruik van de auto. Deze correctie werd berekend volgens de forfaitaire wettelijke regeling berekend op 12% van 22% van de cataloguswaarde van de auto. De BV maakte bezwaar tegen deze aangifte omzetbelasting vanwege vermeend ondernemerschap van haar DGA.
De rechtbank Arnhem was van oordeel dat de DGA wel zelfstandig maar geen ondernemer was. De rechtbank week daarmee af van het arrest van de Hoge Raad uit 2002 over het ondernemerschap van een DGA. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat een DGA over zijn inkomsten uit dienstbetrekking met de BV omzetbelasting moet betalen wanneer hij meer dan 50% van de aandelen in de BV bezit. De rechtbank was in deze casus van oordeel dat de DGA niet zelfstandig economische activiteiten verrichtte. Op grond van de Zesde EG-richtlijn is dat een vereiste voor belastingplicht voor de omzetbelasting. De rechtbank verwees hiervoor naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (arrest DFDS) en de conclusie van de AG bij het Hof van Justitie EG naar aanleiding van prejudiciële vragen van Hof Amsterdam. Volgens de AG is een natuurlijke persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst werkt voor een belastingplichtige zelf geen belastingplichtige omdat hij niet zelfstandig een economische activiteit verricht. Van belang is wel dat de twee partijen bij de arbeidsovereenkomst een eigen rechtspersoonlijkheid hebben en juridisch bekwaam zijn om met elkaar een arbeidsovereenkomst te sluiten. De DGA moest daarom als een normale werknemer worden beschouwd en niet als een ondernemer, waardoor de correctie wegens privégebruik auto in stand bleef.
Een BV, ondernemer voor de omzetbelasting, stelde aan haar DGA een auto aan ter beschikking, die hij ook privé gebruikte. De op de auto drukkende omzetbelasting werd door de BV als voorbelasting verrekend. In de laatste aangifte van een kalenderjaar verwerkte de BV een correctie op deze aftrek in verband met het privégebruik van de auto. Deze correctie werd berekend volgens de forfaitaire wettelijke regeling berekend op 12% van 22% van de cataloguswaarde van de auto. De BV maakte bezwaar tegen deze aangifte omzetbelasting vanwege vermeend ondernemerschap van haar DGA.
De rechtbank Arnhem was van oordeel dat de DGA wel zelfstandig maar geen ondernemer was. De rechtbank week daarmee af van het arrest van de Hoge Raad uit 2002 over het ondernemerschap van een DGA. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat een DGA over zijn inkomsten uit dienstbetrekking met de BV omzetbelasting moet betalen wanneer hij meer dan 50% van de aandelen in de BV bezit. De rechtbank was in deze casus van oordeel dat de DGA niet zelfstandig economische activiteiten verrichtte. Op grond van de Zesde EG-richtlijn is dat een vereiste voor belastingplicht voor de omzetbelasting. De rechtbank verwees hiervoor naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (arrest DFDS) en de conclusie van de AG bij het Hof van Justitie EG naar aanleiding van prejudiciële vragen van Hof Amsterdam. Volgens de AG is een natuurlijke persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst werkt voor een belastingplichtige zelf geen belastingplichtige omdat hij niet zelfstandig een economische activiteit verricht. Van belang is wel dat de twee partijen bij de arbeidsovereenkomst een eigen rechtspersoonlijkheid hebben en juridisch bekwaam zijn om met elkaar een arbeidsovereenkomst te sluiten. De DGA moest daarom als een normale werknemer worden beschouwd en niet als een ondernemer, waardoor de correctie wegens privégebruik auto in stand bleef.