DGA geen btw-ondernemer!

In het jaar 2002 merkte de Hoge Raad in een geruchtmakend arrest een directeur-grootaandeelhouder (DGA) aan als ondernemer voor de omzetbelasting vanwege het ontbreken van ondergeschiktheid in de arbeidsverhouding. Hoewel het arrest betrekking had op een zeer specifieke situatie gaf de Hoge Raad een algemene en ruime uitleg door te bepalen dat iedere DGA met een belang van 50% of meer ondernemer was. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad het niet nodig vond om uitleg te vragen aan het Hof van Justitie EG. Als gevolg van het arrest moest een DGA omzetbelasting in rekening brengen over door hem aan de BV in rekening gebrachte bedragen (salaris). Daar stond tegenover, dat de DGA de hem in rekening gebrachte omzetbelasting als voordruk in mindering kon brengen. Het arrest van de Hoge Raad had grote gevolgen. De staatssecretaris van Financiën kwam met meerdere besluiten over de positie van de DGA. In veel gevallen werd een zogenaamde fiscale eenheid voor de omzetbelasting gevormd tussen DGA en BV. Gevolg van een fiscale eenheid is echter hoofdelijke aansprakelijkheid voor de omzetbelastingschulden van de andere partij binnen de fiscale eenheid. Een DGA die door de belastingdienst met zijn BV als fiscale eenheid werd aangemerkt verzette zich tegen die beslissing. Hof Amsterdam betwijfelde het ondernemerschap van een DGA en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EG. Dat Hof heeft nu uitspraak gedaan: een DGA die in naam en voor rekening van zijn BV de werkzaamheden van de BV verricht in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met deze BV is geen ondernemer. Van belang is dat de eerdere arresten van het Hof van Justitie EG waarnaar de Hoge Raad in zijn arrest uit 2002 verwees (met name Asscher en Heerma) niet leiden tot een andere uitleg. Het arrest Heerma heeft betrekking op de verhuur van een onroerende zaak door een van de maten aan de maatschap. Daarbij trad hij op als zelfstandige. Tussen de maatschap en de maat bestaat geen verhouding van ondergeschiktheid. Het arrest Asscher heeft betrekking op het vrije verkeer van personen en is daarmee niet van toepassing op de definitie van de hoedanigheid van btw-plichtige. Gevolgen voor de praktijk: Anders dan sinds 2002 werd aangenomen hoeft er over beloningen van de DGA dus geen btw berekend te worden. Doordat de DGA geen ondernemer is kan hij dus ook de hem in rekening gebrachte btw niet in aftrek brengen. Het verdient dus aanbeveling om de BV alle aanschaffingen te laten doen die betrekking hebben op de onderneming. De DGA die vermogensbestanddelen verhuurt aan zijn BV (de terbeschikkingstellingsregeling van de Wet IB 2001 is daarop van toepassing) is voor die activiteit wel ondernemer voor de omzetbelasting. Op de facturen die de DGA aan zijn BV stuurt voor deze prestaties moet dus btw in rekening worden gebracht. Het arrest Van der Steen heeft tot gevolg dat een DGA vanaf nu niet meer kan worden geregistreerd als ondernemer voor de btw. Welke gevolgen het arrest heeft voor het verleden (de periode 2002-2007), is onzeker. Gewacht moet worden op besluiten van het Ministerie van Financiën hierover.
In het jaar 2002 merkte de Hoge Raad in een geruchtmakend arrest een directeur-grootaandeelhouder (DGA) aan als ondernemer voor de omzetbelasting vanwege het ontbreken van ondergeschiktheid in de arbeidsverhouding. Hoewel het arrest betrekking had op een zeer specifieke situatie gaf de Hoge Raad een algemene en ruime uitleg door te bepalen dat iedere DGA met een belang van 50% of meer ondernemer was. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad het niet nodig vond om uitleg te vragen aan het Hof van Justitie EG. Als gevolg van het arrest moest een DGA omzetbelasting in rekening brengen over door hem aan de BV in rekening gebrachte bedragen (salaris). Daar stond tegenover, dat de DGA de hem in rekening gebrachte omzetbelasting als voordruk in mindering kon brengen. Het arrest van de Hoge Raad had grote gevolgen. De staatssecretaris van Financiën kwam met meerdere besluiten over de positie van de DGA. In veel gevallen werd een zogenaamde fiscale eenheid voor de omzetbelasting gevormd tussen DGA en BV. Gevolg van een fiscale eenheid is echter hoofdelijke aansprakelijkheid voor de omzetbelastingschulden van de andere partij binnen de fiscale eenheid.
Een DGA die door de belastingdienst met zijn BV als fiscale eenheid werd aangemerkt verzette zich tegen die beslissing. Hof Amsterdam betwijfelde het ondernemerschap van een DGA en stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EG. Dat Hof heeft nu uitspraak gedaan: een DGA die in naam en voor rekening van zijn BV de werkzaamheden van de BV verricht in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met deze BV is geen ondernemer. Van belang is dat de eerdere arresten van het Hof van Justitie EG waarnaar de Hoge Raad in zijn arrest uit 2002 verwees (met name Asscher en Heerma) niet leiden tot een andere uitleg.
Het arrest Heerma heeft betrekking op de verhuur van een onroerende zaak door een van de maten aan de maatschap. Daarbij trad hij op als zelfstandige. Tussen de maatschap en de maat bestaat geen verhouding van ondergeschiktheid.
Het arrest Asscher heeft betrekking op het vrije verkeer van personen en is daarmee niet van toepassing op de definitie van de hoedanigheid van btw-plichtige.
Gevolgen voor de praktijk:
Anders dan sinds 2002 werd aangenomen hoeft er over beloningen van de DGA dus geen btw berekend te worden. Doordat de DGA geen ondernemer is kan hij dus ook de hem in rekening gebrachte btw niet in aftrek brengen. Het verdient dus aanbeveling om de BV alle aanschaffingen te laten doen die betrekking hebben op de onderneming.
De DGA die vermogensbestanddelen verhuurt aan zijn BV (de terbeschikkingstellingsregeling van de Wet IB 2001 is daarop van toepassing) is voor die activiteit wel ondernemer voor de omzetbelasting. Op de facturen die de DGA aan zijn BV stuurt voor deze prestaties moet dus btw in rekening worden gebracht.
Het arrest Van der Steen heeft tot gevolg dat een DGA vanaf nu niet meer kan worden geregistreerd als ondernemer voor de btw. Welke gevolgen het arrest heeft voor het verleden (de periode 2002-2007), is onzeker. Gewacht moet worden op besluiten van het Ministerie van Financiën hierover.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u