Deelnemingsvrijstelling niet zonder meer van toepassing na aandelenruil
NV A had een belang van 6,3 % in NV B. Door de beursgang van NV B verwaterde het belang van NV A tot 3,6%. Daarnaast had NV A een indirect belang in NV B van 0,9%. De opbrengst van de verkochte aandelen bij de beursgang was ƒ 426.000.000; de waarde van de resterende aandelen op die datum was ƒ 973.000.000 (€ 43 per aandeel). Gedurende een zekere periode na de beursgang mochten de aandeelhouders geen aandelen verkopen. Na het verstrijken van die periode werden de resterende aandelen in diverse tranches via de beurs verkocht. De laatste aandelen die NV A in NV B had, werden omgewisseld tegen aandelen in een buitenlandse rechtspersoon. Ten opzichte van de koers op de datum van de beursgang leed NV A op alle latere verkooptransacties verlies. In geschil was of die verliezen onder de deelnemingsvrijstelling vielen. NV A was van mening dat dit niet het geval was, omdat het belang minder dan 5 % (de drempel voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling) bedroeg. Hof Amsterdam was van oordeel, dat niet alleen op de periode na de beursgang gelet moest worden, maar ook op de daaraan voorafgaande periode. Het belang was niet als belegging maar als actieve participatie verworven. NV A had zich actief bemoeid met de leiding van NV B. De transacties vielen onder de deelnemingsvrijstelling, waardoor NV A geen verlies kon nemen. Volgens de Hoge Raad was dat oordeel niet juist, omdat het Hof er geen rekening mee had gehouden dat na de omwisseling van de aandelen de deelnemingsvrijstelling alleen van toepassing was wanneer de daarbij verkregen aandelen geen belegging vormden. Het Hof verzuimde om te onderzoeken of dat het geval was en verwees ter motivering naar zijn oordeel met betrekking tot de geruilde aandelen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag.
NV A had een belang van 6,3 % in NV B. Door de beursgang van NV B verwaterde het belang van NV A tot 3,6%. Daarnaast had NV A een indirect belang in NV B van 0,9%. De opbrengst van de verkochte aandelen bij de beursgang was ƒ 426.000.000; de waarde van de resterende aandelen op die datum was ƒ 973.000.000 (€ 43 per aandeel). Gedurende een zekere periode na de beursgang mochten de aandeelhouders geen aandelen verkopen. Na het verstrijken van die periode werden de resterende aandelen in diverse tranches via de beurs verkocht. De laatste aandelen die NV A in NV B had, werden omgewisseld tegen aandelen in een buitenlandse rechtspersoon. Ten opzichte van de koers op de datum van de beursgang leed NV A op alle latere verkooptransacties verlies. In geschil was of die verliezen onder de deelnemingsvrijstelling vielen. NV A was van mening dat dit niet het geval was, omdat het belang minder dan 5 % (de drempel voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling) bedroeg. Hof Amsterdam was van oordeel, dat niet alleen op de periode na de beursgang gelet moest worden, maar ook op de daaraan voorafgaande periode. Het belang was niet als belegging maar als actieve participatie verworven. NV A had zich actief bemoeid met de leiding van NV B. De transacties vielen onder de deelnemingsvrijstelling, waardoor NV A geen verlies kon nemen. Volgens de Hoge Raad was dat oordeel niet juist, omdat het Hof er geen rekening mee had gehouden dat na de omwisseling van de aandelen de deelnemingsvrijstelling alleen van toepassing was wanneer de daarbij verkregen aandelen geen belegging vormden. Het Hof verzuimde om te onderzoeken of dat het geval was en verwees ter motivering naar zijn oordeel met betrekking tot de geruilde aandelen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag.