
Tot 1 januari 2011 gold voor het verlenen van toegang tot podiumkunsten het lage tarief van de omzetbelasting. De staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat het lage tarief kon worden toegepast op podiumkunsten die na 31 december 2010 maar vóór 1 juli 2011 plaatsvonden. Vanaf 1 juli 2011 geldt voor podiumkunsten het algemene, hoge tarief.
De organisator van dance-events claimde ook na 1 juli 2011 de toepassing van het lage tarief voor de omzetbelasting over de toegangsprijzen. De organisator deed een beroep op toepassing van de regeling voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, waarop het lage tarief nog steeds van toepassing is. Voor het geval dat niet mocht baten, wilde de organisator zijn activiteiten aangemerkt zien als het verlenen van toegang tot permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen.
De rechtbank Den Haag was van oordeel dat het geven van gelegenheid tot sportbeoefening moet worden uitgelegd als het verlenen van het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie. De ondernemer moet een accommodatie voor de sportbeoefening ter beschikking stellen. Het enkele feit dat bezoekers van dance-events intensief en langdurig bewegen, is niet voldoende om dat bezoek als sportbeoefening aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank ging het hoofdzakelijk om muziekliefhebbers een avondje uit te bieden door het bijwonen van een cultureel evenement.
De ruimte waar de dance-events werden georganiseerd kende geen voorzieningen zoals kleedkamers en douches. Volgens de rechtbank waren de activiteiten niet aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.
Evenmin was sprake van het verlenen van toegang tot andere primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen. De gebruikte ruimte was behalve voor dance evenementen ook geschikt voor andere activiteiten zoals cursussen, workshops en vergaderingen. Voor die andere activiteiten werd de ruimte ook gebruikt. Gevolg was dat het lage tarief niet van toepassing was op de dienstverlening.