Correctie aftrek voorbelasting wegens privégebruik auto
De omzetbelasting die voor leveringen en diensten in rekening is gebracht aan een ondernemer kan in aftrek worden gebracht op de omzetbelasting die deze ondernemer periodiek aan de belastingdienst moet afdragen. Niet alle omzetbelasting mag in aftrek worden gebracht. In bepaalde gevallen is de aftrek geheel of gedeeltelijk uitgesloten. Omdat het privégebruik van een auto van de zaak door werknemers geen zakelijke uitgave is mag de daarop drukkende omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek komen. Dat is geregeld in het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). De belastingdienst corrigeerde de aftrek voorbelasting in verband met het privégebruik van een auto van de zaak door de directeur van een BV. In de procedure die volgde was in geschil of het BUA op dit punt in strijd is met de Zesde EG-richtlijn en zo nee, of de omzetbelastingcorrectie wegens privégebruik juist was berekend. De correctie wegens privégebruik was berekend zonder aandacht te besteden aan het feit dat de directeur die naast het bedrijfspand woonde geen woon-werkverkeer had. Voor de omzetbelasting geldt woon-werkverkeer namelijk als privégebruik. De rechtbank Arnhem was, onder verwijzing naar bestaande jurisprudentie, van oordeel dat het BUA niet in strijd is met de Zesde EG-richtlijn of met de eerdere Tweede EG-richtlijn. Volgens de rechtbank is de omschrijving in het BUA “het geven van gelegenheid tot privévervoer” voldoende bepaald om de uitsluiting van aftrek mogelijk te maken.
Voor de omvang van de correctie verwees de BV naar een besluit van Financiën uit 2004. De BV leidde daaruit af dat 10% van de correctie betrekking heeft op het woon-werkverkeer. Omdat de directeur geen woon-werkverkeer had, wilde de BV de correctie verminderen tot 12% van 10% van ƒ 250.000 voor het jaar 2000 en voor het jaar 2001 tot 12% van 15% van ƒ 250.000. Vanwege het verschil in fiscale behandeling van woon-werkverkeer in de inkomstenbelasting en de omzetbelasting keurde de staatssecretaris in het besluit uit 2004 goed dat de correctie voorbelasting werd berekend op 12% x 10% van de catalogusprijs wanneer er in de inkomstenbelasting geen bijtelling plaatsvond maar wel sprake was van woon-werkverkeer. Volgens de rechtbank was het besluit niet bedoeld om ook een lager percentage toe te passen als er geen sprake is van woon-werkverkeer maar wel van privégebruik.
De rechtbank zag evenmin aanleiding om de forfaitaire berekening van de correctie aan te passen aan de hoge catalogusprijs. Weliswaar moet de correctie van voorbelasting in beginsel plaatsvinden op basis van de werkelijk in aftrek gebrachte voorbelasting, maar dat bedrag was niet bekend. Daarom werd de correctie forfaitair berekend. De BV kwam niet met gegevens over de kosten van de auto of de in aftrek gebrachte voorbelasting. De rechtbank kon daarom niet beoordelen of de berekende correctie onredelijk was. De rechtbank liet de naheffingsaanslag in stand.
De omzetbelasting die voor leveringen en diensten in rekening is gebracht aan een ondernemer kan in aftrek worden gebracht op de omzetbelasting die deze ondernemer periodiek aan de belastingdienst moet afdragen. Niet alle omzetbelasting mag in aftrek worden gebracht. In bepaalde gevallen is de aftrek geheel of gedeeltelijk uitgesloten. Omdat het privégebruik van een auto van de zaak door werknemers geen zakelijke uitgave is mag de daarop drukkende omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek komen. Dat is geregeld in het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). De belastingdienst corrigeerde de aftrek voorbelasting in verband met het privégebruik van een auto van de zaak door de directeur van een BV. In de procedure die volgde was in geschil of het BUA op dit punt in strijd is met de Zesde EG-richtlijn en zo nee, of de omzetbelastingcorrectie wegens privégebruik juist was berekend. De correctie wegens privégebruik was berekend zonder aandacht te besteden aan het feit dat de directeur die naast het bedrijfspand woonde geen woon-werkverkeer had. Voor de omzetbelasting geldt woon-werkverkeer namelijk als privégebruik. De rechtbank Arnhem was, onder verwijzing naar bestaande jurisprudentie, van oordeel dat het BUA niet in strijd is met de Zesde EG-richtlijn of met de eerdere Tweede EG-richtlijn. Volgens de rechtbank is de omschrijving in het BUA “het geven van gelegenheid tot privévervoer” voldoende bepaald om de uitsluiting van aftrek mogelijk te maken.
Voor de omvang van de correctie verwees de BV naar een besluit van Financiën uit 2004. De BV leidde daaruit af dat 10% van de correctie betrekking heeft op het woon-werkverkeer. Omdat de directeur geen woon-werkverkeer had, wilde de BV de correctie verminderen tot 12% van 10% van ƒ 250.000 voor het jaar 2000 en voor het jaar 2001 tot 12% van 15% van ƒ 250.000. Vanwege het verschil in fiscale behandeling van woon-werkverkeer in de inkomstenbelasting en de omzetbelasting keurde de staatssecretaris in het besluit uit 2004 goed dat de correctie voorbelasting werd berekend op 12% x 10% van de catalogusprijs wanneer er in de inkomstenbelasting geen bijtelling plaatsvond maar wel sprake was van woon-werkverkeer. Volgens de rechtbank was het besluit niet bedoeld om ook een lager percentage toe te passen als er geen sprake is van woon-werkverkeer maar wel van privégebruik.
De rechtbank zag evenmin aanleiding om de forfaitaire berekening van de correctie aan te passen aan de hoge catalogusprijs. Weliswaar moet de correctie van voorbelasting in beginsel plaatsvinden op basis van de werkelijk in aftrek gebrachte voorbelasting, maar dat bedrag was niet bekend. Daarom werd de correctie forfaitair berekend. De BV kwam niet met gegevens over de kosten van de auto of de in aftrek gebrachte voorbelasting. De rechtbank kon daarom niet beoordelen of de berekende correctie onredelijk was. De rechtbank liet de naheffingsaanslag in stand.