Constructiebestrijding met terugwerkende kracht

Ter bestrijding van constructies met onroerende zaken is op 18 december 1995 met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995 een wet ingevoerd. Een van de bestreden constructies is de overdracht van de economische eigendom ter voorkoming van overdrachtsbelasting. De vraag in een langlopende procedure was of de invoering van een wet met terugwerkende kracht in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het Hof van Justitie EG overwoog in het arrest Goed Wonen dat het in uitzonderlijke gevallen is toegestaan om regelgeving met terugwerkende kracht in te voeren. Die terugwerkende kracht moet noodzakelijk zijn voor het algemeen belang en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen moet naar behoren in acht worden genomen. De terugwerkende kracht van de Wet van 18 december 1995 was bedoeld om met name het opzetten van constructies in de periode tussen de aankondiging van de wetswijziging en de invoering van die wijziging tegen te gaan. Volgens het Hof van Justitie EG was de angst voor dergelijke handelingen niet ongefundeerd en is het voorkómen van ongewenste constructies een algemeen belang. De nationale rechter moet beoordelen of het risico, dat in de tussentijd financiële constructies worden opgezet, groot genoeg is om terugwerkende kracht te rechtvaardigen. Naar het oordeel van de Hoge Raad bestond met name voor eind maart 1995 in gebruik genomen onroerende zaken die werden gebruikt voor vrijgestelde prestaties en waarvan de herzieningstermijn nog niet was verstreken, het risico dat een belastingbesparende constructie zou worden opgezet. Vervolgens moest onderzocht worden of de belanghebbende door de persberichten van het ministerie zodanig geïnformeerd was over de komende wijziging van de wet met terugwerkende kracht dat hij de gevolgen van de wetswijziging voor zijn handelingen konden overzien. De belanghebbende maakte bij het opzetten en uitvoeren van de door hem gekozen belastingbesparende constructie (het vestigen van het recht van vruchtgebruik) gebruik van een professionele belastingadviseur. Dat betekende dat de belanghebbende op het tijdstip waarop het recht van vruchtgebruik werd gevestigd had kunnen weten dat de Wet mogelijk met terugwerkende kracht zou worden gewijzigd en dat het vestigen van het recht van vruchtgebruik daardoor niet het beoogde gevolg zou hebben. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond; de belanghebbende had geen recht op aftrek van voorbelasting.
Ter bestrijding van constructies met onroerende zaken is op 18 december 1995 met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995 een wet ingevoerd. Een van de bestreden constructies is de overdracht van de economische eigendom ter voorkoming van overdrachtsbelasting.
De vraag in een langlopende procedure was of de invoering van een wet met terugwerkende kracht in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het Hof van Justitie EG overwoog in het arrest Goed Wonen dat het in uitzonderlijke gevallen is toegestaan om regelgeving met terugwerkende kracht in te voeren. Die terugwerkende kracht moet noodzakelijk zijn voor het algemeen belang en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen moet naar behoren in acht worden genomen. De terugwerkende kracht van de Wet van 18 december 1995 was bedoeld om met name het opzetten van constructies in de periode tussen de aankondiging van de wetswijziging en de invoering van die wijziging tegen te gaan. Volgens het Hof van Justitie EG was de angst voor dergelijke handelingen niet ongefundeerd en is het voorkómen van ongewenste constructies een algemeen belang. De nationale rechter moet beoordelen of het risico, dat in de tussentijd financiële constructies worden opgezet, groot genoeg is om terugwerkende kracht te rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de Hoge Raad bestond met name voor eind maart 1995 in gebruik genomen onroerende zaken die werden gebruikt voor vrijgestelde prestaties en waarvan de herzieningstermijn nog niet was verstreken, het risico dat een belastingbesparende constructie zou worden opgezet.
Vervolgens moest onderzocht worden of de belanghebbende door de persberichten van het ministerie zodanig geïnformeerd was over de komende wijziging van de wet met terugwerkende kracht dat hij de gevolgen van de wetswijziging voor zijn handelingen konden overzien.
De belanghebbende maakte bij het opzetten en uitvoeren van de door hem gekozen belastingbesparende constructie (het vestigen van het recht van vruchtgebruik) gebruik van een professionele belastingadviseur. Dat betekende dat de belanghebbende op het tijdstip waarop het recht van vruchtgebruik werd gevestigd had kunnen weten dat de Wet mogelijk met terugwerkende kracht zou worden gewijzigd en dat het vestigen van het recht van vruchtgebruik daardoor niet het beoogde gevolg zou hebben.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond; de belanghebbende had geen recht op aftrek van voorbelasting.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u