Conclusie AG over toepassing deelnemingsvrijstelling Delaware-company
Een in Nederland gevestigde BV had een belang van 20 % in een in de VS gevestigde limited, die was opgericht naar het recht van de staat Delaware en die volgens dat recht rechtspersoonlijkheid had. In de VS geldt een dergelijke limited fiscaal als transparant. De limited wordt dus niet zelf onderworpen aan belastingheffing. Dit gebeurt bij de participanten. De BV merkte de limited in Nederland ook aan als fiscaal transparant en verantwoordde steeds 20 % van de resultaten van de limited in haar belastbare winst onder aftrek van alle kosten en lasten, inclusief de door de BV aan haar moedermaatschappij betaalde rente. De belastingdienst merkte de limited aan als een kapitaalvennootschap die niet in aanmerking kwam voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling omdat de limited in de VS niet was onderworpen aan een winstbelasting. Ook had de BV volgens de inspecteur geen recht op aftrek van kosten in verband met de deelneming. Hof Amsterdam verklaarde de over de jaren 1998 tot en met 2000 door de BV ingestelde beroepen ongegrond. Voor het Hof was ondermeer in geschil of de limited voor (Nederlandse) fiscale doeleinden transparant was of een vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld. In dat laatste geval zou de opvatting van de inspecteur juist zijn en zou in Nederland de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing zijn wegens ontbreken van onderworpenheid aan Amerikaanse winstbelasting. De beperking van de kostenaftrek geldt ook bij participaties die geen deelneming zijn wegens ontbreken van onderworpenheid. Daarom had de BV er belang bij om de limited aan te merken als een vennootschap waarvan het kapitaal niet in aandelen is verdeeld. Volgens de Advocaat-generaal bij de Hoge Raad was het Hof te snel met zijn oordeel dat de limited economisch en maatschappelijk naar Nederlands recht vergelijkbaar is met een BV. Het Hof baseerde zich daarbij uitsluitend op de aan de kapitaalinleg evenredige winstverdeling en de evenredige verdeling van een liquidatie-uitkering zonder in te gaan op de verdeling van de zeggenschap van de participanten. De wet gaat in beginsel uit van evenredige zeggenschap, maar daarvan kan bij overeenkomst worden afgeweken. Dat was volgens de Advocaat-generaal hier het geval omdat de BV twee van de vijf leden van het management mocht benoemen en dus 40 % van de zeggenschap zou hebben. Op grond daarvan concludeerde de Advocaat-generaal tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing naar een ander Hof voor een nader feitelijk onderzoek.
Een in Nederland gevestigde BV had een belang van 20 % in een in de VS gevestigde limited, die was opgericht naar het recht van de staat Delaware en die volgens dat recht rechtspersoonlijkheid had. In de VS geldt een dergelijke limited fiscaal als transparant. De limited wordt dus niet zelf onderworpen aan belastingheffing. Dit gebeurt bij de participanten. De BV merkte de limited in Nederland ook aan als fiscaal transparant en verantwoordde steeds 20 % van de resultaten van de limited in haar belastbare winst onder aftrek van alle kosten en lasten, inclusief de door de BV aan haar moedermaatschappij betaalde rente. De belastingdienst merkte de limited aan als een kapitaalvennootschap die niet in aanmerking kwam voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling omdat de limited in de VS niet was onderworpen aan een winstbelasting. Ook had de BV volgens de inspecteur geen recht op aftrek van kosten in verband met de deelneming. Hof Amsterdam verklaarde de over de jaren 1998 tot en met 2000 door de BV ingestelde beroepen ongegrond. Voor het Hof was ondermeer in geschil of de limited voor (Nederlandse) fiscale doeleinden transparant was of een vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld. In dat laatste geval zou de opvatting van de inspecteur juist zijn en zou in Nederland de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing zijn wegens ontbreken van onderworpenheid aan Amerikaanse winstbelasting. De beperking van de kostenaftrek geldt ook bij participaties die geen deelneming zijn wegens ontbreken van onderworpenheid. Daarom had de BV er belang bij om de limited aan te merken als een vennootschap waarvan het kapitaal niet in aandelen is verdeeld. Volgens de Advocaat-generaal bij de Hoge Raad was het Hof te snel met zijn oordeel dat de limited economisch en maatschappelijk naar Nederlands recht vergelijkbaar is met een BV. Het Hof baseerde zich daarbij uitsluitend op de aan de kapitaalinleg evenredige winstverdeling en de evenredige verdeling van een liquidatie-uitkering zonder in te gaan op de verdeling van de zeggenschap van de participanten. De wet gaat in beginsel uit van evenredige zeggenschap, maar daarvan kan bij overeenkomst worden afgeweken. Dat was volgens de Advocaat-generaal hier het geval omdat de BV twee van de vijf leden van het management mocht benoemen en dus 40 % van de zeggenschap zou hebben. Op grond daarvan concludeerde de Advocaat-generaal tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing naar een ander Hof voor een nader feitelijk onderzoek.