
Bij de eerste registratie van een auto in Nederland wordt BPM geheven. Vanaf 1 januari 2010 vormt de CO2-component een belangrijk onderdeel van de maatstaf van heffing van de BPM, naast de cataloguswaarde. Door deze wijziging in de regelgeving is bij de eerste registratie van een gebruikte auto, die relatief veel CO2 uitstoot, meer BPM verschuldigd dan de BPM die nog rust op een gelijksoortige auto die in Nederland is geregistreerd voordat de CO2-component deel uitmaakte van de maatstaf van heffing. De vraag in een procedure voor Hof Leeuwarden was of deze regeling in strijd is met het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (VWEU). Het VWEU verbiedt heffingen op producten van overige lidstaten die hoger zijn dan de heffingen op gelijksoortige nationale producten. De lidstaten mogen nieuwe belastingen invoeren of het tarief of de belastinggrondslag van bestaande belastingen wijzigen, zolang zij daarmee niet in strijd komen met dit verbod.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU mag de heffing op een ingevoerd tweedehands voertuig niet hoger zijn dan het restbedrag van de heffing dat onderdeel is van de waarde van gelijksoortige tweedehands voertuigen die al op het nationale grondgebied zijn geregistreerd.
Hof Leeuwarden is van oordeel dat heffing van BPM over de CO2-component alleen is toegestaan als gewaarborgd is dat de heffing over een ingevoerde auto niet hoger is. Nu de rest-BPM op een vergelijkbare maar in 2008 of