Chauffeur zonder eigen auto was geen ondernemer
De belastingdienst voerde een boekenonderzoek uit bij een ondernemer. Daarbij werd vastgesteld dat er zo weinig activiteiten meer waren dat er geen onderneming meer was. Vervolgens begon de voormalige ondernemer met nieuwe activiteiten, die hij presenteerde als onderneming. Bij een volgend boekenonderzoek stelde de belastingdienst vast, dat er geen sprake was van een onderneming maar van resultaat uit werkzaamheden buiten dienstbetrekking. Het ging om chauffeurswerk voor een opdrachtgever, waarvoor geen investering in bedrijfsmiddelen was gedaan. Na een aantal jaren trad de chauffeur in dienst bij deze opdrachtgever. De belastingdienst legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op wegens het ten onrechte toepassen van ondernemersfaciliteiten. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden verhinderde het eerste boekenonderzoek de navorderingsaanslag niet, omdat bij dat onderzoek niets was vastgesteld over de nieuwe activiteiten, maar alleen over de oude. Vervolgens stelde het Hof vast, dat er geen sprake van ondernemerschap was vanwege het ontbreken van investeringen, het werken voor dezelfde opdrachtgever en het ontbreken van financiële risico’s.
De belastingdienst voerde een boekenonderzoek uit bij een ondernemer. Daarbij werd vastgesteld dat er zo weinig activiteiten meer waren dat er geen onderneming meer was. Vervolgens begon de voormalige ondernemer met nieuwe activiteiten, die hij presenteerde als onderneming. Bij een volgend boekenonderzoek stelde de belastingdienst vast, dat er geen sprake was van een onderneming maar van resultaat uit werkzaamheden buiten dienstbetrekking. Het ging om chauffeurswerk voor een opdrachtgever, waarvoor geen investering in bedrijfsmiddelen was gedaan. Na een aantal jaren trad de chauffeur in dienst bij deze opdrachtgever. De belastingdienst legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op wegens het ten onrechte toepassen van ondernemersfaciliteiten. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden verhinderde het eerste boekenonderzoek de navorderingsaanslag niet, omdat bij dat onderzoek niets was vastgesteld over de nieuwe activiteiten, maar alleen over de oude. Vervolgens stelde het Hof vast, dat er geen sprake van ondernemerschap was vanwege het ontbreken van investeringen, het werken voor dezelfde opdrachtgever en het ontbreken van financiële risico’s.