
Als een moedermaatschappij tenminste 95% van de aandelen in een dochtermaatschappij heeft kan op verzoek van beide maatschappijen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting worden gevormd. De inspecteur reageert op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Een moedermaatschappij had bij de aankoop van alle aandelen in de dochtermaatschappij aan de verkoopster een warrant uitgegeven. De warrant gaf de verkoopster het recht op nieuw uit te geven aandelen in de dochtermaatschappij tot een belang van 19,99%. Als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de warrant verpandde de moedermaatschappij 19,99% van de aandelen in de dochtermaatschappij aan de verkoopster.
Tussen de moedermaatschappij, de dochtermaatschappij en een kleindochtermaatschappij bestond sinds 1 januari 2003 een fiscale eenheid. In 2004 werd 19,99% van de aandelen in de dochtermaatschappij gecertificeerd. De stichting die de aandelen beheerde was verplicht het stemrecht op de aandelen uit te oefenen volgens instructies van de moedermaatschappij.
De certificering was voor de inspecteur aanleiding om mee te delen dat de fiscale eenheid per datum van overdracht van aandelen aan de stichting van rechtswege was beƫindigd. De inspecteur wees een verzoek om per 1 januari 2005 een fiscale eenheid te vormen af.
Hof Den Haag oordeelde dat de inspecteur het verzoek terecht had afgewezen omdat door de certificering van de aandelen de moedermaatschappij niet voldeed aan de wettelijke eis dat zij de juridische eigendom bezat van tenminste 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever ervan uitgaat dat certificering van de aandelen van een dochtermaatschappij niet altijd meebrengt dat niet is voldaan aan de vereiste juridische eigendom van de aandelen.