BV liet zich geen winst ontgaan bij aankoop bedrijfspand door aandeelhouder tegen zakelijke prijs
Een BV verkocht haar bedrijfspand aan de buurman, omdat deze zijn bedrijfspand wilde uitbreiden. De buurman verkocht tegelijkertijd een ander pand, dat de BV als bedrijfspand zou gaan gebruiken, aan de aandeelhouder van de BV. De belastingdienst stelde zich op het standpunt, dat de BV zich bewust een voordeel had laten ontgaan ten gunste van haar aandeelhouder door hem in staat te stellen het pand onder de waarde in het economische verkeer te kopen. Hof Den Bosch onderzocht of de prijs, waarvoor de aandeelhouder het pand kocht, gelijk was aan de waarde in het economische verkeer. De buurman had het samen met twee andere panden van een derde gekocht voor ƒ 1.875.000. Aangenomen mocht worden dat dit de waarde in het economische verkeer van de drie objecten was. Het pand werd doorverkocht aan de aandeelhouder voor ƒ 1.135.000. De andere twee onroerende zaken werden verkocht aan een gelieerde vennootschap voor ƒ 600.000. Voor de overdrachtsbelasting werd uitgegaan van een waarde van ƒ 740.000. De door de buurman betaalde koopsom verminderd met dit laatste bedrag was de prijs, die de aandeelhouder van de BV aan de buurman betaalde. Volgens het Hof was deze prijs zakelijk. Er kon dus geen sprake zijn van een bewuste bevoordeling van de aandeelhouder door de BV.
Een BV verkocht haar bedrijfspand aan de buurman, omdat deze zijn bedrijfspand wilde uitbreiden. De buurman verkocht tegelijkertijd een ander pand, dat de BV als bedrijfspand zou gaan gebruiken, aan de aandeelhouder van de BV. De belastingdienst stelde zich op het standpunt, dat de BV zich bewust een voordeel had laten ontgaan ten gunste van haar aandeelhouder door hem in staat te stellen het pand onder de waarde in het economische verkeer te kopen. Hof Den Bosch onderzocht of de prijs, waarvoor de aandeelhouder het pand kocht, gelijk was aan de waarde in het economische verkeer. De buurman had het samen met twee andere panden van een derde gekocht voor ƒ 1.875.000. Aangenomen mocht worden dat dit de waarde in het economische verkeer van de drie objecten was. Het pand werd doorverkocht aan de aandeelhouder voor ƒ 1.135.000. De andere twee onroerende zaken werden verkocht aan een gelieerde vennootschap voor ƒ 600.000. Voor de overdrachtsbelasting werd uitgegaan van een waarde van ƒ 740.000. De door de buurman betaalde koopsom verminderd met dit laatste bedrag was de prijs, die de aandeelhouder van de BV aan de buurman betaalde. Volgens het Hof was deze prijs zakelijk. Er kon dus geen sprake zijn van een bewuste bevoordeling van de aandeelhouder door de BV.