BV hoefde geen winst te nemen op schuld

Een BV ging een termijncontract aan met een bank. De BV moest op grond van dat contract Amerikaanse dollars kopen bij de bank tegen een tevoren vastgestelde koers. Met die dollars kon de BV ingekochte goederen betalen. Op enig moment ontstond een speculatieve positie omdat de BV meer dollars moest kopen dan zij nodig had voor haar inkoopverplichtingen. Vanwege de lage dollarkoers zou de BV verlies leiden op het contract. Daarom werd het contract op voorstel van de bank niet afgewikkeld, zodat het verlies op dat moment nog niet genomen behoefde te worden. Enige tijd later stelde de bank voor om de positie te sluiten zodat het verlies niet verder zou oplopen. Het verlies werd gefinancierd met een renteloze lening van de bank van ƒ 2,7 miljoen. Twee jaar later droeg de bank de resterende vordering van ƒ 2,4 miljoen over aan een zustermaatschappij van de BV voor een bedrag van ƒ 1 miljoen. Vervolgens gaf de BV op 1 mei 1997 ƒ 130.000 nominaal aandelenkapitaal uit aan de zustermaatschappij. Zij verkreeg door de uitgifte een aandelenbelang in de BV van 65%. Het aandelenkapitaal was volgestort door inbreng van de vordering. Het verschil tussen de nominale waarde van de vordering en het bedrag van de stortingsverplichting was agio. Op dezelfde dag verkocht de zustermaatschappij deze aandelen aan de moedermaatschappij voor een koopprijs van ƒ 1 miljoen.De inspecteur corrigeerde de winst van de BV over 1997 met ƒ 1,4 miljoen. Hij vond dat de kredietregeling tot stand was gekomen omdat de bank aansprakelijk was voor de oorzaak en omvang van de geleden valutaverliezen. Gezien de overname voor ƒ 1 miljoen van een vordering van nominaal ƒ 2,4 miljoen had de BV een claim op de bank voor het verschil. Door van die claim af te zien bij de verkoop moest de BV dat bedrag bij de winst tellen.Volgens Hof Arnhem had de BV geen juridisch afdwingbare claim op de bank. Daarom kon de BV geen winst genieten wegens het prijsgeven van een dergelijk recht. Vervolgens moest het Hof de vraag beantwoorden of de kredietregeling uit 1995 de BV aanleiding gaf om winst te nemen. Een belastingplichtige hoeft zijn schulden niet op grond van goed koopmansgebruik voor een ander bedrag dan waarvoor zijn crediteuren hem kunnen aanspreken op zijn balans op te nemen. Alleen als zo goed als zeker is dat een ondernemer (een deel van) zijn schulden niet behoeft te voldoen, treedt bij hem een vermogensvermeerdering op die als winst uit onderneming moet worden beschouwd. Die uitzondering deed zich hier niet voor, zodat de BV op grond van het voorzichtigheidsbeginsel de schuld op het nominale bedrag mocht blijven waarderen. Naar het oordeel van het Hof had zich bij de verstrekking van de lening in 1995 geen tot belastbare winst leidende vermogensvermeerdering voorgedaan. Evenmin had de BV in 1997 wegens het (deels) vrijvallen van de lening winst genoten.
Een BV ging een termijncontract aan met een bank. De BV moest op grond van dat contract Amerikaanse dollars kopen bij de bank tegen een tevoren vastgestelde koers. Met die dollars kon de BV ingekochte goederen betalen. Op enig moment ontstond een speculatieve positie omdat de BV meer dollars moest kopen dan zij nodig had voor haar inkoopverplichtingen. Vanwege de lage dollarkoers zou de BV verlies leiden op het contract. Daarom werd het contract op voorstel van de bank niet afgewikkeld, zodat het verlies op dat moment nog niet genomen behoefde te worden. Enige tijd later stelde de bank voor om de positie te sluiten zodat het verlies niet verder zou oplopen. Het verlies werd gefinancierd met een renteloze lening van de bank van ƒ 2,7 miljoen. Twee jaar later droeg de bank de resterende vordering van ƒ 2,4 miljoen over aan een zustermaatschappij van de BV voor een bedrag van ƒ 1 miljoen. Vervolgens gaf de BV op 1 mei 1997 ƒ 130.000 nominaal aandelenkapitaal uit aan de zustermaatschappij. Zij verkreeg door de uitgifte een aandelenbelang in de BV van 65%. Het aandelenkapitaal was volgestort door inbreng van de vordering. Het verschil tussen de nominale waarde van de vordering en het bedrag van de stortingsverplichting was agio. Op dezelfde dag verkocht de zustermaatschappij deze aandelen aan de moedermaatschappij voor een koopprijs van ƒ 1 miljoen.De inspecteur corrigeerde de winst van de BV over 1997 met ƒ 1,4 miljoen. Hij vond dat de kredietregeling tot stand was gekomen omdat de bank aansprakelijk was voor de oorzaak en omvang van de geleden valutaverliezen. Gezien de overname voor ƒ 1 miljoen van een vordering van nominaal ƒ 2,4 miljoen had de BV een claim op de bank voor het verschil. Door van die claim af te zien bij de verkoop moest de BV dat bedrag bij de winst tellen.Volgens Hof Arnhem had de BV geen juridisch afdwingbare claim op de bank. Daarom kon de BV geen winst genieten wegens het prijsgeven van een dergelijk recht. Vervolgens moest het Hof de vraag beantwoorden of de kredietregeling uit 1995 de BV aanleiding gaf om winst te nemen. Een belastingplichtige hoeft zijn schulden niet op grond van goed koopmansgebruik voor een ander bedrag dan waarvoor zijn crediteuren hem kunnen aanspreken op zijn balans op te nemen. Alleen als zo goed als zeker is dat een ondernemer (een deel van) zijn schulden niet behoeft te voldoen, treedt bij hem een vermogensvermeerdering op die als winst uit onderneming moet worden beschouwd. Die uitzondering deed zich hier niet voor, zodat de BV op grond van het voorzichtigheidsbeginsel de schuld op het nominale bedrag mocht blijven waarderen. Naar het oordeel van het Hof had zich bij de verstrekking van de lening in 1995 geen tot belastbare winst leidende vermogensvermeerdering voorgedaan. Evenmin had de BV in 1997 wegens het (deels) vrijvallen van de lening winst genoten.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u