
Het vestigen van het recht van vruchtgebruik op een vermogensbestanddeel door een aandeelhouder ten gunste van de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft is een vorm van het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel aan die vennootschap. Het rendement bestaat uit de aangroei van de waarde van de blote eigendom tot volle eigendom aan het einde van de vruchtgebruiksperiode. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om tijdelijke of niet-tijdelijke genotsrechten. Het recht van vruchtgebruik kan voor een rechtspersoon niet langer dan 30 jaar duren. Onder de Wet IB 1964 gold het vestigen van een 30-jarig recht van vruchtgebruik niet als het rendabel maken van vermogen, maar als een onbelaste vermogenstransactie. Die opvatting geldt niet meer onder de Wet IB 2001.