Buitenlands pensioen hoort tot Nederlands inkomen
Tot het inkomen van een inwoner van Nederland behoort ook het inkomen uit het buitenland, zoals pensioenuitkeringen in verband met een vroegere dienstbetrekking. Een persoon die buitenlands pensioen genoot had die uitkeringen gedurende een reeks van jaren niet aangegeven. Nadat de inspecteur achter het bestaan van de pensioenrechten was gekomen legde hij navorderingsaanslagen op over de jaren 1992 tot en met 1997, vermeerderd met boete. Ook werd heffingsrente in rekening gebracht. In de procedure tegen de navorderingsaanslagen en de aanslagen over de jaren 1998 tot en met 2000 is de belastbaarheid van de pensioenuitkeringen niet in geschil. Wel in geschil is de premieplicht voor de AWBZ, het recht op aftrek als buitengewone last van de ondersteuning van de kinderen, de tariefgroepindeling en de hoogte van de heffingsrente. Hof Amsterdam oordeelt als volgt. Tot 1 augustus 1993 was de belanghebbende AWBZ-verzekerd en dus premieplichtig. Vanaf die datum geldt voor hem een vrijstelling voor de AWBZ. De aanslag 1992 blijft daarom in stand; de aanslag 1993 wordt verminderd. Voor de jaren 1993 tot en met 1996 heeft de belanghebbende de kosten van levensonderhoud van zijn kinderen niet gespecificeerd en heeft hij geen recht op aftrek daarvan. De ziektekosten blijven in die jaren beneden de drempel en leiden dus evenmin tot aftrek. In 1997 wordt hem aftrek van de kosten van levensonderhoud van zijn dochter toegestaan tot het maximum van 10% van zijn onzuivere inkomen. De aanslag wordt dienovereenkomstig verlaagd. Voor 1998 was de aftrek al tot dat bedrag verleend en maakt de belanghebbende de kosten voor het levensonderhoud van zijn zoon niet aannemelijk. Hij viel in dat jaar in tariefgroep 2, omdat de toepassing van de alleenstaande oudertoeslag (tariefgroep 4) of van de alleenverdienertoeslag (tariefgroep 3) niet is aangetoond. Voor 1999 had hij wel recht op indeling in tariefgroep 3 omdat hij samenwoonde met zijn zoon en het inkomen van de zoon lager was dan de belastingvrije som van tariefgroep 2. Die indeling voorkwam aftrek van kosten van levensonderhoud voor de zoon. Ten onrechte was een aanslag premieheffing opgelegd. Het hof heeft die vernietigd. In 2000 was het inkomen van de dochter te hoog voor aftrek van kosten van levensonderhoud. Vanwege de lange duur die was verstreken voor het opleggen van de (navorderings)aanslagen kon de inspecteur zich vinden in vermindering van de heffingsrente door de periode van berekening daarvan op 31 december 1999 te laten eindigen. Het Hof heeft de berekende heffingsrente daaraan aangepast. De opgelegde boetes bij de navorderingsaanslagen van 25% van de nagevorderde belasting bleven in stand, omdat het Hof deze passend en geboden vond.
Tot het inkomen van een inwoner van Nederland behoort ook het inkomen uit het buitenland, zoals pensioenuitkeringen in verband met een vroegere dienstbetrekking. Een persoon die buitenlands pensioen genoot had die uitkeringen gedurende een reeks van jaren niet aangegeven. Nadat de inspecteur achter het bestaan van de pensioenrechten was gekomen legde hij navorderingsaanslagen op over de jaren 1992 tot en met 1997, vermeerderd met boete. Ook werd heffingsrente in rekening gebracht. In de procedure tegen de navorderingsaanslagen en de aanslagen over de jaren 1998 tot en met 2000 is de belastbaarheid van de pensioenuitkeringen niet in geschil. Wel in geschil is de premieplicht voor de AWBZ, het recht op aftrek als buitengewone last van de ondersteuning van de kinderen, de tariefgroepindeling en de hoogte van de heffingsrente. Hof Amsterdam oordeelt als volgt. Tot 1 augustus 1993 was de belanghebbende AWBZ-verzekerd en dus premieplichtig. Vanaf die datum geldt voor hem een vrijstelling voor de AWBZ. De aanslag 1992 blijft daarom in stand; de aanslag 1993 wordt verminderd. Voor de jaren 1993 tot en met 1996 heeft de belanghebbende de kosten van levensonderhoud van zijn kinderen niet gespecificeerd en heeft hij geen recht op aftrek daarvan. De ziektekosten blijven in die jaren beneden de drempel en leiden dus evenmin tot aftrek. In 1997 wordt hem aftrek van de kosten van levensonderhoud van zijn dochter toegestaan tot het maximum van 10% van zijn onzuivere inkomen. De aanslag wordt dienovereenkomstig verlaagd. Voor 1998 was de aftrek al tot dat bedrag verleend en maakt de belanghebbende de kosten voor het levensonderhoud van zijn zoon niet aannemelijk. Hij viel in dat jaar in tariefgroep 2, omdat de toepassing van de alleenstaande oudertoeslag (tariefgroep 4) of van de alleenverdienertoeslag (tariefgroep 3) niet is aangetoond. Voor 1999 had hij wel recht op indeling in tariefgroep 3 omdat hij samenwoonde met zijn zoon en het inkomen van de zoon lager was dan de belastingvrije som van tariefgroep 2. Die indeling voorkwam aftrek van kosten van levensonderhoud voor de zoon. Ten onrechte was een aanslag premieheffing opgelegd. Het hof heeft die vernietigd. In 2000 was het inkomen van de dochter te hoog voor aftrek van kosten van levensonderhoud. Vanwege de lange duur die was verstreken voor het opleggen van de (navorderings)aanslagen kon de inspecteur zich vinden in vermindering van de heffingsrente door de periode van berekening daarvan op 31 december 1999 te laten eindigen. Het Hof heeft de berekende heffingsrente daaraan aangepast. De opgelegde boetes bij de navorderingsaanslagen van 25% van de nagevorderde belasting bleven in stand, omdat het Hof deze passend en geboden vond.