Buiten gemeenschap van goederen gehuwde was geen mede-eigenaar van deel nalatenschap echtgenoot

Tot iemands nalatenschap behoorde een vakantiehuis in Frankrijk. Na zijn overlijden was bij de vaststelling van de aanslag successierecht in geschil of zijn echtgenote mede/eigenaar van het vakantiehuis was. Het echtpaar was buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Er stond vast dat de woning juridisch geheel aan de man toebehoorde. Zijn weduwe was derhalve geen mede-eigenaar van de woning. Omdat de bouw van de woning destijds van een gemeenschappelijke girorekening was gefinancierd zou de weduwe volgens de erfgenamen een vordering op de nalatenschap hebben. Het bestaan van een gemeenschappelijke rekening konden de erfgenamen niet bewijzen. Het Hof merkte nog op dat het niet aannemelijk was dat het echtpaar ten tijde van de bouw van de woning over een gemeenschappelijke rekening beschikte. Die bouw had namelijk in 1957 plaatsgevonden, waarbij in aanmerking werd genomen dat de Wet tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid der gehuwde vrouw pas op 1 januari 1957 in werking is getreden. Zelfs als er een gemeenschappelijke rekening zou zijn geweest dan had dit niet het gewenste resultaat gehad omdat de op deze rekening ontvangen gelden (nagenoeg geheel) afkomstig waren van de verdiensten van de erflater. De weduwe was volgens het Hof niet gerechtigd tot de helft van het saldo van een eventuele gemeenschappelijke rekening maar slechts naar rato van haar inbreng en dus was zij evenmin gerechtigd tot de helft van de vermogensbestanddelen die uit deze rekening waren bekostigd.
Tot iemands nalatenschap behoorde een vakantiehuis in Frankrijk. Na zijn overlijden was bij de vaststelling van de aanslag successierecht in geschil of zijn echtgenote mede/eigenaar van het vakantiehuis was. Het echtpaar was buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Er stond vast dat de woning juridisch geheel aan de man toebehoorde. Zijn weduwe was derhalve geen mede-eigenaar van de woning. Omdat de bouw van de woning destijds van een gemeenschappelijke girorekening was gefinancierd zou de weduwe volgens de erfgenamen een vordering op de nalatenschap hebben. Het bestaan van een gemeenschappelijke rekening konden de erfgenamen niet bewijzen. Het Hof merkte nog op dat het niet aannemelijk was dat het echtpaar ten tijde van de bouw van de woning over een gemeenschappelijke rekening beschikte. Die bouw had namelijk in 1957 plaatsgevonden, waarbij in aanmerking werd genomen dat de Wet tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid der gehuwde vrouw pas op 1 januari 1957 in werking is getreden. Zelfs als er een gemeenschappelijke rekening zou zijn geweest dan had dit niet het gewenste resultaat gehad omdat de op deze rekening ontvangen gelden (nagenoeg geheel) afkomstig waren van de verdiensten van de erflater. De weduwe was volgens het Hof niet gerechtigd tot de helft van het saldo van een eventuele gemeenschappelijke rekening maar slechts naar rato van haar inbreng en dus was zij evenmin gerechtigd tot de helft van de vermogensbestanddelen die uit deze rekening waren bekostigd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u