Brief waarin BTW wordt genoemd is geen factuur; onderhandeling over doorstart is geen levering
Een kredietverzekeraar had de vorderingen van bij haar verzekerde leveranciers op een van hun afnemers overgenomen. De goederen waren onder eigendomsvoorbehoud geleverd. Na het faillissement van de afnemer heeft de verzekeraar met betrekking tot de afwikkeling van die vorderingen een overeenkomst gesloten met het bedrijf, dat de activiteiten van de oorspronkelijke afnemer wilde voortzetten. In een brief van de kredietverzekeraar over de afwikkeling van de vorderingen is opgenomen, dat de voortzetter de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken overneemt tegen betaling van ƒ 3.200.000 exclusief B.T.W. en dat de BTW over de overnamesom, die ƒ 560.000 bedraagt, in de maand maart 1996 moest worden betaald. De belastingdienst merkte die brief aan als een factuur en legde voor het bedrag aan omzetbelasting een naheffingsaanslag op aan de kredietverzekeraar. Het gerechtshof in Amsterdam was het met de inspecteur eens. De Hoge Raad is van oordeel, dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het Hof heeft vastgesteld, dat de kredietverzekeraar geen goederen heeft geleverd aan de voortzetter en dat de brief over de afwikkeling van de vorderingen geen betrekking had op de levering van de goederen. Het oordeel van het Hof, dat deze brief een factuur vormt is dan onbegrijpelijk. Het Hof was verder van oordeel dat het meewerken aan de doorstart van de failliete afnemer een dienst is van de kredietverzekeraar, omdat deze heeft afgezien van de voorbehouden eigendomsrechten. Daarmee trad het Hof buiten het geschil van partijen, omdat de belastingdienst het standpunt, dat de kredietverzekeraar een dergelijke dienst had verricht, niet heeft ingenomen. Hof Den Haag moet nu onderzoeken in hoeverre de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Een kredietverzekeraar had de vorderingen van bij haar verzekerde leveranciers op een van hun afnemers overgenomen. De goederen waren onder eigendomsvoorbehoud geleverd. Na het faillissement van de afnemer heeft de verzekeraar met betrekking tot de afwikkeling van die vorderingen een overeenkomst gesloten met het bedrijf, dat de activiteiten van de oorspronkelijke afnemer wilde voortzetten. In een brief van de kredietverzekeraar over de afwikkeling van de vorderingen is opgenomen, dat de voortzetter de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken overneemt tegen betaling van ƒ 3.200.000 exclusief B.T.W. en dat de BTW over de overnamesom, die ƒ 560.000 bedraagt, in de maand maart 1996 moest worden betaald. De belastingdienst merkte die brief aan als een factuur en legde voor het bedrag aan omzetbelasting een naheffingsaanslag op aan de kredietverzekeraar. Het gerechtshof in Amsterdam was het met de inspecteur eens. De Hoge Raad is van oordeel, dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het Hof heeft vastgesteld, dat de kredietverzekeraar geen goederen heeft geleverd aan de voortzetter en dat de brief over de afwikkeling van de vorderingen geen betrekking had op de levering van de goederen. Het oordeel van het Hof, dat deze brief een factuur vormt is dan onbegrijpelijk. Het Hof was verder van oordeel dat het meewerken aan de doorstart van de failliete afnemer een dienst is van de kredietverzekeraar, omdat deze heeft afgezien van de voorbehouden eigendomsrechten. Daarmee trad het Hof buiten het geschil van partijen, omdat de belastingdienst het standpunt, dat de kredietverzekeraar een dergelijke dienst had verricht, niet heeft ingenomen. Hof Den Haag moet nu onderzoeken in hoeverre de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.